In de veertigdagentijd leggen we ons toe op bidden, vasten en het geven van aalmoezen. Deze drie horen bij elkaar en dienen in het juiste evenwicht te staan. Iedere katholiek hoort gewoonlijk te vasten op woensdag (de dag dat Jezus ter door werd veroordeeld) en vrijdag (de dag van Jezus’ lijden en sterven). Het overwegen van het lijden en sterven van Jezus is een hulpmiddel om op een diepere manier te delen in zijn verrijzenis. We doen boete om terug te keren naar God. Het gaat niet alleen om het boete doen, maar we kunnen ook ons geloof verdiepen en ons inzetten voor onze naasten.


Aan het kruis heeft Jezus zijn leven voor ons gegeven. Hij heeft ons, onze zonden vergeven. Ook al vergeeft God ons en kunnen we Gods vergeving niet verdienen, mogen we toch wat doen. We mogen meewerken met Gods genade. Vasten is een inspanning, waarbij we in eerste instantie denken aan minder eten, vooral minder snoep en koekjes eten. Het doet ons beseffen, dat we in Nederland een overvloed aan eten hebben waar we dankbaar voor mogen zijn. Hoeveel eten wordt er niet dagelijks weggegooid? En hoeveel mensen komen er niet om van de honger?


Op internet heb ik gezocht naar ‘honger’. De cijfers zijn tamelijk schokkend. Elk jaar lijden ongeveer 850 miljoen mensen aan ondervoeding en per jaar sterven rond 25.000 mensen van de honger, of aan de gevolgen van ondervoeding. Onder hen zijn ongeveer 10.000 kinderen. Het zijn cijfers, die mij doen duizelen, het is bijna niet voor te stellen. Op het nieuws horen we hier af en toe wat van. Wat belangrijker is, om op zoek te gaan naar een systematische oplossing, maar die is niet eenvoudig te vinden. Alle beetjes helpen.


In de tijd dat ik in het klooster zat, was de maand augustus voor ons de woestijnmaand. We verbleven in Aubrac, een gebied in het Centraal Massief in Frankrijk. De leefomstandigheden waren tamelijk primitief, geen elektriciteit, alleen gasflessen om op een klein fornuis eten te koken, Er was geen verwarming en het water kwam uit een bron. Het betekende dat we een eenvoudige douchecabine moesten maken waar we ons met koud bergwater konden ‘douchen’. Douchen is een groot woord, want met kleine emmertjes water kon je je nat maken en met biologisch afbreekbare zeep mocht je je wassen. Aangezien er geen elektriciteit was, was er ook geen internet en TV. Het was voor mij niet vreemd, omdat mijn ouders eenvoudig leefden. Met dankbaarheid kijk ik terug naar de woestijnmaand, waar we in eenvoud leefden.


De veertigdagentijd zouden we ook kunnen zien als ‘de woestijn’ ingaan. In alle eenvoud leven en als het kan wat minderen. Aangezien we zoveel verleidingen om ons heen hebben, zal het voor veel mensen een hele opgave zijn om te minderen in eten, drinken (alcohol), TV kijken, internet en mobiele telefoon. De tijd die we over hebben, zouden we kunnen gebruiken om tijd aan onze naasten te besteden. Het geld dat we niet uitgeven, kunnen we aan mensen, die tekort aan eten hebben, geven.

Kapelaan Juan van Eijk

Vorige artikel

Terug naar welkompagina