14 augustus 1990 was een stralende zomerse dag. Dat was het tenminste in Vézelay, een stadje in Midden-Frankrijk, waar ik me toen bevond. Voor mij als zeventienjarige jongen was dit mijn eerste buitenlandse reis. Maar het was niet zo maar een vakantie in la douce France. Nee, ik nam deel aan een ‘roepingenreis’. Met ongeveer vijftien jongemannen waren we onder leiding van de rector van de priesteropleiding en een jonge priester een weekje in dit rustieke stadje met zijn beroemde middeleeuwse basiliek.

We logeerden in een jeugdherberg, maakten wandelingen door de natuur, bewonderden de lokale bezienswaardigheden, trapten af en toe een balletje en we hadden elke dag momenten van bezinning en gebed. En dat alles om ons bezig te houden met de vraag: wat zou God met mijn leven willen? Ben ik misschien geroepen om priester te worden? In dat kader kregen we ook dagelijks een korte inleiding van onze begeleiders over onderwerpen die met het katholieke geloof of het priesterschap te maken hadden.

Op een middag, de bewuste veertiende augustus, zaten we in het park achter de basiliek van Sainte-Marie-Madeleine. In de schaduw van de bomen luisterden we naar een inleiding over vergeving. Daarbij kwam ook de biecht ter sprake. Ik had daar natuurlijk wel eens van gehoord, maar ik had er geen persoonlijke ervaringen mee. In de parochie waar ik opgegroeid was, kondigde de pastoor soms na een boeteviering aan dat men ook nog met hem kon spreken voor een individuele biecht. Maar ik merkte niet dat daar gebruik van werd gemaakt.

Aan het einde van de inleiding werd gezegd: ‘Als jullie willen, kunnen jullie nu zelf van de gelegenheid gebruik maken om te biechten. We nemen een uurtje de tijd voor stilte. Je kunt een rustig plekje zoeken in het park of een wandelingetje maken. De twee priesters zitten hier ook. Je kunt naar een van hen toe gaan en biechten.’ Ik ben toen ergens onder een boom gaan zitten en heb zitten nadenken. ‘Zal ik gaan of niet? Durf ik dat wel? En wat moet ik dan zeggen?’

Na een tijdje heb ik de knoop doorgehakt: ‘Ik probeer het!’ Maar toen kwam de volgende moeilijkheid: ‘Wat ga ik dan vertellen?’ Ook daar heb ik een poosje over nagedacht. Uiteindelijk heb ik de stoute schoenen aangetrokken en ben ik – toch wel behoorlijk zenuwachtig – op een van de priesters afgestapt. Ik kan me helemaal niet meer herinneren wat ik gezegd heb. En van de woorden van de priester staat me ook niet veel meer bij. Maar wat ik nog wel heel goed weet, is dat ik een enorme vreugde voelde toen de priester de vergevingsbede had uitgesproken. Ongetwijfeld speelde er ook een zekere opluchting mee na de voorafgaande worsteling. Maar het gevoel van bevrijding ging veel dieper dan dat. Ik voelde me echt helemaal vrij! Ik mag er zijn ondanks mijn onvolmaaktheden. God neemt mij aan zoals ik ben.

Deze eerste positieve ervaring met het sacrament van verzoening is me altijd bijgebleven. In de loop der jaren heb ik de gewoonte ontwikkeld om zelf regelmatig te gaan biechten. Tegenwoordig probeer ik eens in de veertien dagen dit sacrament te ontvangen. Dat houdt me scherp op mijn eigen doen en laten. En iedere keer weer proef ik iets van die eerste keer: bevrijding, vreugde, een aanraking door God. Het is zoiets moois! Ik wens u van harte toe dat u dit in het Jaar van Barmhartigheid ook mag meemaken.

pastoor Cyrus van Vught