Bêêh, was dat nou wel verstandig? Was ik nou toch maar met de rest meegegaan. Nu zit ik hier moederziel alleen onder een prikkelstruik.

Maar ja, ik was nèt ingeslapen. Daar had ik zoveel moeite voor moeten doen: ik weet niet hoeveel schaapjes ik er voor heb moeten tellen. Eindelijk sliep ik een beetje en toen werd ik plotseling wakker van al die zingende vogels. Nou ja, vogels? Ze leken een beetje op mensen, maar ze vlogen wel in de lucht. Ze zongen iets van eer aan God en vrede op aarde. En ze gaven nog licht ook. Ik dacht eerst dat ik droomde. Tot ik onze herders hoorde zeggen: ‘Kom, we gaan kijken waar die Redder geboren is.’ En daar gingen ze met de hele kudde. Maar ik had er geen zin in. Mijn buurman porde me nog even aan: ‘Kom mee.’ Maar ik heb me nog eens omgedraaid. ‘Bekijk het maar. Ik slaap verder!’

En toen schrok ik plotseling echt wakker. Iedereen weg! Nergens te bekennen. Geen herder, geen schaap, niks! Zouden ze over de dam gegaan zijn? Of de andere kant uit? O, wat werd ik bang. Misschien zijn er wel wilde dieren in de buurt. Dus kroop ik maar onder deze struik. Ik zit er half in vast met mijn vacht. En hij prikt zo. Ik durf niet verder te bewegen. Misschien zijn er wel wilde honden of andere gevaarlijke beesten die wel zin hebben in een lamsboutje. Wat nu? Het is donker en ik zie niets. Ik weet niet waar ze heen zijn. Hoe zou ik ook moeten weten waar ik heen moet? Normaal gesproken is er altijd een herder om de weg te wijzen naar een veilige plek met lekker groen gras en fris water.

Het duurt nu al uren. Ik ook met mijn eigenwijsheid. En ik heb niet eens zwarte wol zoals mijn neef. Hoe kom ik hier ooit uit? Zie ik ze ooit nog terug? Aan de nacht komt ook maar geen einde. Ik kan niet slapen van de angst. Had ik maar... Hé, wat is dat daar? Ik hoor iets aankomen. Achter me. Ik kan het niet zien, want ik zit vast in die struik. Wat is het? Een wolf? Een leeuw? O, ik durf geen adem te halen. Stel je voor dat hij me hoort. Dan ben ik er geweest!

Maar... een stem die roept. Die ken ik! Het is mijn herder! O, nu ben ik gered! Bêêh! O, wat fijn. Ik zou wel in zijn armen willen springen, maar die vervelende doorntakken ook... Voorzichtig maakt hij me los. Zou hij boos zijn dat ik niet geluisterd heb? Ik geloof het niet: hij praat heel lief tegen me en neemt me zelfs op zijn schouders. Nu zullen we zo bij de rest van de kudde zijn. Het is toch wel een eindje lopen. Maar mijn herder wordt het niet moe mij te dragen.

O, hier moeten we blijkbaar zijn. Een soort grot. Dat is een veilige plaats. Lekker warm. En daar is de rest; mijn broertjes en zusjes, mijn ooms en tantes. Maar wat is dat? Een ezel, een os, nog een stel mensen. En... o wat een lief kindje! Het slaapt lekker zacht in de armen van zijn moeder. Heerlijk veilig, net als ik bij mijn herder.


pastoor Cyrus van Vught