De middelste week van juni, toen het hier in Nijmegen zo tropisch warm was, zat ik aan het water in Zuid-Holland. Roelofarendsveen. Ik ben er vaak geweest tijdens mijn schooljaren in Den Haag: met jongens van het Aloysiuscollege, met de zeeverkenners, etc. Een stompe, niet langer gebruikte graanmolen, bij een vernauwing van de Wijde Aa.

Het Paddegat. Boten moeten er laveren om naar de Brasem te komen. Het water maakt een bocht, de wind draait door de bebouwing een beetje, maar de meeste roergangers hebben dat niet in de gaten. Ik zag de boten af en toe wat klungelen en dan riep ik, uit gewoonte, “fok bak”, even afvallen, dan haal je het in twee, drie slagen. Een jongen uit die streek, zo voelde ik me weer.

Jongens uit de streek. Dat moeten toch de meeste leerlingen geweest zijn: Andreas, Petrus en Filippus uit Betsaïida, een of ander uit Kana, en Jezus uit Nazareth: dorpjes in de buurt van het Meer van Genezaret. Wat zullen ze gedaan hebben, op vrije dagen in de zomer? Naar het meer lopen natuurlijk. Op een meer of op een vaart heeft ieder zo zijn eigen plekkie: om te hengelen, om te zwemmen, om te drijven op wat wrakhout. Zou het ook zo geweest zijn met jongens uit Nazareth, Kana of Magdala? Ze zorgden dat ze bijtijds weer uit het water kwamen en de heuvels opliepen om naar huis te gaan. Want, bij het vallen van de avond, dan stijgt de hitte snel op en daalt de kou van de opkomende zeewind. Jezus wist dat.

Het Meer van Genezaret, ook wel genaamd het Meer van Tiberias, is niet zo groot: peervormig, ongeveer 20km lang van noord naar zuid; 2 tot 13 km breed. Aan de westkant de heuvels van Galilea, waar Nazareth ligt. Aan de voet van de heuvels liggen de havenplaatsjes Genezaret, Capharnaum en Betsaïda. Noord-oostelijk de Golan hoogten. Naar het zuiden een vlakte. De Jordaan mondt er in uit en stroomt in het zuiden verder naar de Dode Zee, die net als het Meer van Genezaret ongeveer 200 meter beneden de zeespiegel ligt. In de zomer wordt het beneden aan het meer overdag smoorheet en stijgt de hete lucht omhoog: dalwind. ’s Avonds is het omgekeerd. Dan daalt de koude lucht: bergwind.

Er werd veel gevist. Vissers werken ’s nachts. Roeien rustig naar hun bekende plekkie. Er werd gevaren op het meer in ranke boten. In 1986 is zo’n boot uit de eerste eeuw gevonden. Een soort sloep (27 ft lang, 8m; 7 ft breed, iets meer dan 2m), platte bodem, zodat je als vissersboot aan land kunt worden getrokken. Geen echt roer, maar een riem aan stuurboord; 4 roeiers. 

Marcus 4 en 6: bijna schipbreuk op het meer.

In het evangelie van Marcus staan twee verhalen over een bijna-schipbreuk op het Meer van Genezaret: in Mc 4, 35-41 (het evangelie van de 12e zondag door het jaar: dus zondag 20 juni 2021) en ook Mc 6, 45-52 (Jezus was toen niet aan boord; de leerlingen moeten roeien tegen de wind; Jezus ‘loopt’ over het water; stapt in de boot en de wind gaat liggen).

De beide gebeurtenissen zijn heftig beschreven: angstige leerlingen en een reddende Jezus. De valwinden worden een ‘storm’ en het meer wordt een Zee (thalassa)! Vele kunstenaars hebben zo deze gebeurtenissen afgebeeld: een zeilschip in woelige baren. Maar, je mag je afvragen, of het wel zo gegaan is. En wat is de boodschap van deze episodes?

In het eerste verhaal was Jezus al in de boot. Hij had de hele dag gepreekt vanaf het schip. En tegen de avond zei hij: laten we het meer oversteken. Hij had de hele dag gepreekt vanaf de boot, hij was moe en viel in slaap. De valwinden veroorzaakten plotseling hoge golven. Hij wordt wakker gemaakt en kalmeert niet zozeer de golven als wel de leerlingen. ‘Blijf rustig; het zijn valwinden; dat is altijd in de avond na een hete dag; het duurt maar even…’ Hij had gelijk, het ging weer voorbij, en de leerlingen kalmeerden. Wat zegt Jezus dan: ‘vertrouw mij nou maar.’

In het tweede verhaal gelast hij de leerlingen in de boot te stappen en naar Betsaïda te roeien. Na alle drukte wil Jezus alleen gaan lopen. Van Tiberias naar Capharnaum, aan de overkant van de baai (inham) waar Tiberias ligt, is dat  8 of 9 km wandelen over de weg langs het meer. De weg is wat langer als je wandelt over de heuvels: daar is het koeler want er staat een zeewind. Vanaf de hoge oever, 200 – 300 meter boven het meer, moet Jezus in het maanlicht iets gezien hebben en loopt dan naar de oever, naar beneden. Hij staat aan de hoge wal. Valwinden stuwen het water naar de andere oever van het meer, de lage wal. De leerlingen roeien tegen de wind in. Ze komen niet vooruit. Jezus loopt over het droog gewaaide keienstrand in de richting van de boot. Het is nacht. In zijn rug voelt hij langs welke heuvels die valwinden waaien en hij voelt waar er geen wind is.

De kern van beide vertellingen is dat de leerlingen vertrouwen, pistis, moeten hebben in hem. In de beide episodes is Jezus niet de roerganger of de kapitein, maar de coach / de loods. Hij geeft aanwijzingen en vertelt je om niet bang te zijn. Hij neemt de verantwoordelijkheid niet weg uit onze handen, maar helpt. Het zijn vertellingen over intuïtie, over leiderschap, over een coach die roept waar je langs of waarheen je moet roeien. Zo is dat een beeld van onze geloofshouding.

Een blije vertelling dus? Ja, zonder meer, maar die blijde boodschap was deels aan dovemans-oren gericht. In Mc 4, 41 wordt er van schrik, paniek, angst gesproken. En in plaats van vertrouwen, pistis, is er verwarring: ‘wie is Hij toch dat zelfs de wind en het meer hem gehoorzamen?’ Het verhaal is zo geredigeerd dat het dient als een illustratie voor een confrontatie van geloof en ongeloof. Dat is ook zo te vinden bij de parallel-teksten in Mattheus en Lucas. De ouderwetse vertaling van het zondagsevangelie is veelzeggend en dus ook misleidend: ..’hebt gij geen geloof…?’ 

Ook bij de tweede vertelling, Mc 6, 45-52, raken de leerlingen van slag door het optreden van Jezus dat beschreven wordt als het wonderbaarlijke ‘lopen over water’. Wat deed hij? In die nacht, met die valwinden, toen hij op het keienstrand als een ‘roei-coach’ naar zijn leerlingen riep gaf hij een aanwijzing hoe die winden te vermijden. Langs het water liep hij zo ver mogelijk naar de boot toe. Het water is er ondiep. Vanaf de boot lijkt alsof hij niet door het water, maar over het water loopt. De leerlingen schrikken. Hij stapt aan boord: ‘schrik niet, ik ben het’. Maar, in een reflectie, voegt de schrijver toe: ‘ze waren niet tot inzicht gekomen […], omdat ze hardleers waren.’ (Mc 6, 52).

Geloven in iemand, vertrouwen hebben in iemand

Beide vertellingen worden door de redacteur ingekaderd in een contrast tussen ‘geloof’ en ‘ongeloof’. Dat is een subtiel contrast. Het gaat in de evangelies om ‘geloven in Jezus’, ‘geloven in zijn helende kracht’. Eenvoudig gezegd, het gaat niet om (verstandelijk) begrip over een hoedanigheid van God of van de Messias, maar om (gevoelsmatig) vertrouwen, om pistis. “Hebben jullie nog geen vertrouwen (pistis, fides) in mij?” Nee, dat hadden ze niet: ze hadden angst. De beide vertellingen dienen er toe om duidelijk te krijgen dat pistis, geloof, vertrouwen, commitment, engagement staat tegenover angst, ongeloof, gebrek aan vertrouwen.

In datzelfde evangelie van Marcus wordt dat verderop uitgelegd. In hoofdstuk 11, 22-23, zegt Jezus: …’Heb vertrouwen in God…’. Dat is: er op vertrouwen dat God iets in ons bewerkt. Welnu, dat Griekse woord pistis wordt vertaald in het Latijn met fides. En daarmee gaat een nuance verloren. In het Latijn is er geen werkwoord afgeleid van fides. Het Griekse werkwoord pisteuo / pisteuein wordt vertaald met credo en credere. En daarmee gaat weer een nuance verloren. Zo zijn we langzaamaan opgezadeld met een betekenisverschuiving: met pistis bedoelde Jezus: vertrouwen in hem, in die slimme jongen uit Nazareth, die iets wist van de valwinden maar die nog veel meer wist van de Schriften.

Hier kom je dus bij de kern van de ‘Blijde Boodschap’: als het oude tempel-geloof gebaseerd was op cultus, op een gebouw, op ontzag voor de godheid, op offers en op angst, dan is het nieuwe Jezus-geloof gebaseerd op commitment, op een vertrouwen in de loods, dat hij ons zal begeleiden naar de overzijde, naar de haven, waar het veilig is. Geen angst voor een hoge golf, voor tegenwind, voor storm kan je hier van afbrengen. Veilig naar de overkant: dat is de Blijde Boodschap van deze beide teksten.

Eduard Kimman.