We kennen in Nederland veel uitdrukkingen. Een ervan is: de donkere dagen voor Kerstmis. Tja denk je dan, het zal wel. In november- en decemberdagen worden de momenten dat het licht is steeds korter. We naderen het punt waarop de zon het verste weg staat van het noorderlijk halfrond. Zo’n beetje rond Kerstmis draait dat punt om en gaan we weer naar meer zonuren per dag.

'U zult het wel druk hebben.' Met enige regelmaat zeggen mensen dat tegen mij. Eigenlijk vind ik dat heel vervelend. Want dat is blijkbaar de indruk die anderen van mij krijgen. En ik vind het jammer dat sommigen daardoor misschien geen beroep op mij durven doen. Op zich is het niet zo erg om niet met allerlei wissewasjes lastig gevallen te worden. Maar als mensen met iets belangrijks zitten, moet er toch geen drempel zijn.

Al twee keer in mijn leven heb ik de ziekenzalving ontvangen. De eerste keer was toen ik lag bij te komen van een blindedarmoperatie. Ik kreeg een stevige antibioticakuur, omdat ook een buikvliesontsteking de kop op stak. Medisch was alles min of meer onder controle, alhoewel niet zonder risico’s. Daarom vond ik het toch wel prettig dat pastor Ewald Kamphuis voorstelde om mij ter sterking het sacrament van de zieken toe te dienen.

14 augustus 1990 was een stralende zomerse dag. Dat was het tenminste in Vézelay, een stadje in Midden-Frankrijk, waar ik me toen bevond. Voor mij als zeventienjarige jongen was dit mijn eerste buitenlandse reis. Maar het was niet zo maar een vakantie in la douce France. Nee, ik nam deel aan een ‘roepingenreis’. Met ongeveer vijftien jongemannen waren we onder leiding van de rector van de priesteropleiding en een jonge priester een weekje in dit rustieke stadje met zijn beroemde middeleeuwse basiliek.

Vol bewondering kijken we naar Artsen zonder Grenzen die zich in gevaarlijke oorlogssituaties begeven. Of naar mantelzorgers die zich met schijnbaar eindeloos geduld om dementerende ouderen bekommeren. Of naar de vrijwilligers van de voedselbank. De Moeder Teresa’s van onze tijd: ze zijn er nog.