Overweging van Jan van der Wal.

Lezingen: Genesis 2, 7-9; 3, 1-7; en Matheus 4, 1-11.

Thema: Gezien worden.

Het is een van de belangrijkste ervaringen die je als mens mag doormaken om te beseffen dat je ertoe doet. Dat je van binnen kunt voelen dat je meetelt, dat er naar jou wordt omgezien. In mijn werk als geestelijk verzorger in de psychiatrie en daarbuiten als pastor in de wijken van Nijmegen-Oost kom ik vele mensen tegen die dat ‘gezien worden’ onvoldoende hebben beleefd, of zelfs gemist hebben. Zij leiden een verborgen leven met gebreken, maar het is vooral de erkenning van wie ze zijn, of ooit zijn geweest, die ontbreekt. Het leven blijkt voor veel van deze mensen een beproeving, die nooit ophoudt.

Zojuist hebben wij de tekst gehoord waarin Jezus in de woestijn beproefd wordt door de duivel, in het Hebreeuws de satan. Hij is de symbolische figuur die aan Gods hemelse hofhouding de aanklager is, later ook afgeschilderd als een gevallen engel en grote verleider tot het kwaad. Het is mij vroeger al een raadsel geweest hoe dit verhaal in de Bijbel is opgetekend, immers: er zijn in de woestijnscene geen getuigen bij geweest. Aangezien we van Jezus evenmin geschreven teksten hebben, moeten we zoeken naar een andere betekenis van dit bijzondere verhaal. 

Jezus’ beproeving door de satan is een verhaal over zijn worsteling met het kwaad in de wereld. En daarmee is het een archetypisch verhaal, een oerverhaal, zoals de vertelling over de zondeval van Adam en Eva, over de oorsprong van het kwaad. Jezus wordt beschreven als een echte mens, die beproevingen kent, emoties heeft maar ook in staat is om verleidingen te doorstaan. Daarin lijkt Jezus op ons, is als het ware een van ons, die kracht kan ontwikkelen om de menselijke zwakheden die wij allen kennen te overwinnen.

En de zwakheden betreffen hier achtereenvolgens de verleiding tot het stillen van de honger en het bevredigen van andere fysieke behoeften, de verleiding tot misbruik van Gods belofte tot bescherming en afdwingen van Zijn genade, en tenslotte de verzoeking tot macht, rijkdom, aanzien en het afzweren van God.

We kunnen de verzoekingen goed herkennen en tal van voorbeelden uit ons eigen leven en onze samenleving erin terugzien. Maar zijn we ook in staat zelf een gepast antwoord te geven? En dan doel ik nu niet zozeer op de verleidingen waaraan we thans blootstaan, maar op de kern van ons geloof: welke plaats in ons leven geven wij aan God? Is het niet veel gemakkelijker, zo leert ons dit verhaal om te leven alsof God niet bestaat, er niet mag zijn, dan te leven met Hem? In God geloven betekent niet te weten dat Hij bestaat. In God geloven betekent van Hem houden, Hem eren en daarmee al het geschapene waarachtig lief te hebben, zo leert ons het leven van Jezus. Iets in de diepte van ons bestaan zegt ons dat God bestaat, maar ook dat wij willen dat Hij er niet altijd is, niet steeds bestaat. Die laatste momenten zijn de momenten van onze menselijke zwakheid, de verleiding tot verafgoding van tal van zaken die onze God willen vervangen: aspecten van deze houding zijn de voorrang van de eigen waarheid, sociale meedogenloosheid, uitbuiting en roofbouw op de natuur.

Echt geloven betekent rekening houden met God, ook als we Hem niet zien, niet kunnen kennen, in de leegte staren, in het duister tasten. Want als wij door ons geloof openstaan voor het mysterie van Gods liefde, dan gebeurt God als het ware daar waar we liefhebben. Dan kunnen we vrijuit zeggen dat het goed is dat jij bestaat, dat ik blij ben dat ik jou heb ontmoet, dankbaar voor het wonder van de liefde. Voor Jezus was het zonneklaar dat Hij de liefde tot God op de eerste plaats stelde. Zijn missie betrof de verloren schapen uit het Huis van Israël weer samen te brengen en terug te voeren naar het vaderhuis. Maar Jezus verbond de liefde tot de naasten wezenlijk met de liefde tot God. 

En hoe zit dat met ons? Zien wij om ons heen ook nog verloren schapen dolen die wij tot onze naasten kunnen maken? En herkennen we daarin nog wel de liefde tot onze God? Of hebben we daarentegen meer behoefte om zelf gezien te worden, opgemerkt door anderen, verlangend naar waardering. Is mensen helpen nu louter een sociale vorm van goeddoen? Verhalen uit het leven van alledag kunnen inzicht geven in de keuzes die steeds weer op ons pad komen. Ik ken een vrouw die een druk bestaan leidt, zorgt voor haar kinderen, een baan heeft en ’s avonds moe is. Maar dan ineens geconfronteerd wordt met haar buurvrouw wier man plotseling is overleden. En daar dan toch tijd voor vrij wil maken, vanuit haar geloofsovertuiging, dat het om de liefde gaat. 

Misschien is het nuttiger, om, anders dan steeds maar weer de vraag naar de oorsprong van het kwaad te stellen, te vragen naar de oorsprong van het goede, ook in ons. God is liefde, en het grote gebod van Israël zegt ons Hem lief te hebben zoals de naasten en onszelf. We willen dus allemaal gezien worden, en erkenning krijgen in wie we zijn, wat ons ten diepste beweegt en bezighoudt.

God heeft al lang zijn hand op ons gelegd, zijn trouw en barmhartigheid zijn van blijvende aard. Soms moeten we zijn verlengde arm zijn om die mensen liefde en erkenning te geven die dat missen. Mogen wij in deze Veertigdagentijd ons bezinnen op onze liefde voor God, en openstaan voor het wonder dat gebeurt als mensen elkaar waarachtig willen zien zoals God ze wil zien, en liefheeft. Amen.