Overweging van Hans Hamers o.p.

Johannes 13, 33-36; 14, 1-3

Heeft u het parochieblad gelezen? Op de achterpagina, waar normaal het vieringenrooster staat, daar staat nu een gedicht van Leonita Gerssen ter gelegenheid van Allerzielen. Ik lees een paar regels voor:

Uit machteloosheid 

Schreeuw ik jouw naam 

Soms, heel alleen 

Verwerk ik jouw naam 

Met al mijn liefde

Dit is het middengedeelte van het gedicht. Voorafgaand aan dit fragment is het een klaagdicht zoals Uit machteloosheid Schreeuw ik jouw naam, maar met het Soms, heel alleen, verwerk ik jouw naam Met al mijn liefde, wordt een andere toon aangeslagen. Er wordt iets aangeraakt waardoor het daarna een troostgedicht wordt, een troostgedicht voor wie verdriet heeft over het verlies van een geliefde. 

In het fragment wordt ook in de laatste woorden de liefde aangeroerd: “Verwerk ik jouw naam, met al mijn liefde”. Als je het hele gedicht leest, dan is duidelijk dat met die naam de verloren geliefde bedoeld wordt. 

Aan dit gedicht is de catastrofe van sterven van een geliefde voorafgegaan. Hoe pijnlijk was het, de aanloop, de schok, de ontreddering, het eerste besef van ‘nooit meer …..’! Een crisis waarin het bestaan van alle geliefde betrokkenen, de stervende en de achterblijvenden, op het spel staat. 

Ik wil een aspect naar voren halen wat in zo’n bestaanscrisis, existentiële crisis, eigenlijk in elke crisis, ergens meespeelt: de hoop. Daarom heb ik dat gedichtfragment gekozen, omdat het ook getuigt van hoop. Die hoop die samengaat met liefde en geloof. De drie religieuze deugden. Dus niet de alledaagse hoop, in de zin zoals we hopen dat het morgen mooi weer wordt, nee, ik bedoel hoop die wordt geboren als het verstand, de wil, het geheugen het niet meer redden. Je zou kunnen zeggen als het de crisissituatie ‘hopeloos’ is, dat wil zeggen dat je niet meer weet wat je moet doen. Zoals na een fatale diagnose, of het verlies van een geliefde, als de grond onder het eigen bestaan is weggeslagen. De hoop die in die situatie geboren wordt is door de scheuren van het bestaan binnenkomende intuïtie (van een verwachting) dat er íets kán zijn wat redding brengt in de zin dat, je weer héél mens laat zijn, heelt, weer grond onder de voeten voelt. Voor de stervende, al klinkt dit tegenstrijdig. En voor de achterblijvenden. Dat ‘iets’ is voor christengelovigen de verbinding met God, met Jezus’ dood en opstanding, dat de dood niet het laatste woord heeft. Een verbinding, een relatie, die niet zo zonneklaar is, en ook afwezig kan zijn, ook juist dan in zo’n crisis, maar toch …. 

Terug naar het gedicht van Leonita Gerssen. Ik ken haar niet. Ik weet niets van haar levensbeschouwelijke achtergrond, maar haar gedicht getuigt wel van die doorbrekende intuïtie van het iets dat redding, of tenminste verlichting, kan brengen, namelijk het opnieuw herinnerend doorleven van de liefdevolle relatie met de ander die dood is. De liefde die de hoop voedt. En om zo met vallen en opstaan weer héél mens worden. Vandaag met Allerzielen, zoeken, langs de weg van het christelijke opstandingsgeloof, en langs van de liefdevolle herinnering om weer heel mens te worden.

Moge het zo zijn.