Overweging van Wim Rigters.

Deut. 26, 4-10, en Lucas 4, 1-13.

Thema: "Gij roept ons terug".

“Mijn vader was een zwervende Arameeër” . . . 

In 1801 migreerde de 15-jarige Johan Henrich Richters – mijn bet-bet-overgrootvader vanuit Ennigerloh in het toenmalige Pruisen naar Nederland. Hij was één van die vele Holland-gänger die in de 18e en begin 19e eeuw uit Duitsland, waar de levensomstandigheden op het platteland slecht waren, wegtrokken naar het welvarende Holland, Nederland, een land dat overvloeide van melk en honing. Hij kwam terecht in Schiedam, vond werk als branders-knecht – de vuren stoken en aanhouden in de jeneverstokerij – van ’s morgens 6 tot ’s avonds 10 uur – slavendienst tot aan zijn dood. Hij werd 58, gaf negen kinderen het leven, waarvan 6 zonen aanvankelijk hetzelfde slavenwerk verrichte en enkelen iets opklommen. Mijn opa was mandenmaker en mijn vader gediplomeerd typograaf met een eigen bedrijf: een drukkerij.

Van slavendienst tot eigen baas; zou die ontwikkeling ook in mijn genen zitten? Lijkt logisch; zo’n onderzoek heet toch niet voor niets genealogisch!

Teruggaan naar je oorsprong is niet alleen interessant en boeiend, het maakt je ook bewust: waar kom ik vandaan, waarom ben ik hier, waarom ben ik zó, waarom heb ik het goed? . . . . en anderen niet? 

Ik ben dus ook één van de naar schatting 98% Nederlanders met buitenlandse voorouders. Oh!? En dank zij hun dus ben ik . . . .

“Hij roept ons terug . . .”

Straks in het tafelgebed zullen wij zeggen: “En als wij ons vestigen metterwoon in de zelfgenoegzaamheid van kleine idealen, dan roept u ons terug uit die kleine vrede met ons zelf, en laat profeten zeggen, dat wij op moeten breken.”

Zo’n profeet is vandaag Jezus zelf, die ons terug brengt naar het begin van zijn verhaal, van zijn optreden in het openbaar en ons uitnodigt met hem mee te gaan, terug, en ons te her-inneren, opnieuw naar binnen te brengen, bewust te worden: waarom doe ik wat ik doe? Waar sta ik voor? Waar geloof ik in? 

In de 40-dagentijd zijn de eerste en de evangelielezing meestal zelfstandig en doen hun eigen zegje aan ons op weg naar Pasen. Maar toch is er vandaag een sterke inhoudelijke overeenkomst, die zich laat samenvatten met een vraag: “welke plaats geef je in je leven aan God en aan de zaak van God”? 

De liturgie – in de eerste lezing -  rond de eerste vruchten van het nieuwe land brengt tot uitdrukking dat het volk dit land van de vrijheid dankt aan de God van het Verbond, die met hen op uittocht is gegaan; daarmee wordt tevens beleden dat ze in het nieuwe bestaan het verbond met God metterdaad zullen eerbiedigen.

In het evangelie wordt Jezus op de drempel van zijn openbare leven, door de duivel getest op de kracht van zijn diepste wezen: de bijzondere band met God, van wiens Geest Hij zo vol is.

Dis is natuurlijk bijbelse taal en bijbelse verhaaltrant, waarin God centraal staat en antwoord op alle vragen is. Die taal en trant spreekt niet iedereen aan en gaat uit van geloof in die God. Maar als je ‘God’ kan interpreteren in de zin van : ‘waar kom ik vandaan?’ en ‘wat/wie komt er na mij?’ dan geldt de vraag van de lezingen ook ons. Als ons via de teksten op het hart gedrukt wordt de God van het Verbond aan te hangen en ons daar niet van te laten afbrengen, gaat het om meer dan om het uitspreken van een geloofsbelijdenis. In de praktijk van iedere dag kan blijken of we de aarde en het leven inderdaad zien als een geschenk dat onze eerbied waard is. In ons concrete bestaan speelt in het klein en soms in het groot het gevecht met allerlei duivelse krachten, die ons het schijngeluk voorspiegelen van brood en spelen, macht en pseudo-godsdienstigheid en die ons daarmee afbrengen van God, of  -als je liever wilt: de zin en bedoeling van ons leven en geluk.

Dat zijn voorwaar pittige bezinningsvragen, waar heel wat aan vast zit en we de komende 40 dagen wel mee vooruit kunnen.

Amen.