Overweging van Wim Rigters.

Hebreeën 11,1-2.8-12.  Lucas 12, 32-28.40-42.

“Heer, vertelt U deze gelijkenis met het oog op ons of voor iedereen”, vroeg Petrus.

En Jezus: “Ja, wie zou die trouwe verstandige beheerder zijn?” Geen echt antwoord, vind ik.

Vanuit het oogpunt van degenen die de lezingencyclus hebben samengesteld zou je kunnen denken dat de eerste lezing het antwoord is. We lazen slechts een fragment uit het 11ehoofdstuk van de Hebreeënbrief, het hele hoofdstuk is een lange opsomming van geloofs-helden: te beginnen met Abel worden genoemd: Henoch, Noach, Abraham, Sara, Isaak, Mozes, Rachab, “en” – vervolgt de tekst – “wat moet ik nog meer noemen? De tijd ontbreekt om te verhalen van Gideon, Barak, Simson en Jefta, van David en Samuël en de profeten. Door het geloof hebben zij koninkrijken omvergeworpen, gerechtighei beoefend; zij hebben leeuwen de muil gesloten, de gloed van vuur gedoofd, ze zijn ontsnapt aan het scherp van het zwaard”. . . .  Maar ook staat er over hen: Noach had een drankprobleem; Sara was extreeem jaloers; Jakob bedroog zijn vader; Mozes was een moordenaar; Rachab was een hoer en David has seks met de vrouw van een ander . . . zó perfect waren ze ook weer niet! “En” - zo eindigt dit hoofdstuk – “toch heeft geen van hen de belofte in vervulling zien gaan”.

De belofte! Welke belofte? Bedoelt Jezus dat misschien als Hij zegt: het heeft jullie Vader behaagd  je het Koninkrijk te schenken . . . . het Koninkrijk?  het Rijk der hemelen? Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde?  Het hiernamaals?  Maar dan wat aardser: deze aarde hier en nu naar Gods bedoeling?, en hier en straks, en hier na mij, toekomst voor onze kinderen en hun kinderen?  Dan begrijp ik, waarom Jezus begint met: “wees niet bang!”

Want het is niet vreemd als je bang wordt, bang bent;  de berichten over die nabije toekomst geven aanleiding genoeg daartoe: de gevolgen van de klimaatverandering, waarschuwingen voor gebrek aan voedsel, uitputting van de aarde, handelsoorlogen en andere oorlogen die maar niet ophouden, volksverhuizingen, incompetente leiders en de steeds groter wordende kloof tussen rijk en arm . . . . en tegelijk . . . . de ontkenning van dit alles: ‘het valt allemaal wel mee’, ‘dat bepaal ik zelf wel!’, ‘ik wil het niet weten’.

“Wees niet bang kleine kudde”. Het gaat namelijk wel over wat we hópen dat werkelijkheid wordt, over gebeurtenissen die niet, nog niet waarneembaar zijn, over duisternis waarin we licht willen zien. Dat is de reden waarom we - deze viering voorbereidend – voor de 1elezing de tekst van de Naardense Bijbel gekozen hebben. Waar de gebruikelijke Willibrordvertaling luidt: “Het geloof is de vaste grond van wat wij hopen”, hoorden wij vandaag: “Geloof viert de werkelijkheid van wat wordt gehoopt”. ‘Het geloof” is een statisch begrip, stellingen, artikelen die je aanneemt of waarover kan discussiëren; ‘Geloof vieren’ is een werkwoord, en dat doen we hier als wij samenkomen, want vieren doe je niet alléén.

     In de liturgie van vandaag worden wij aangesproken op ons ‘geloven’, en blijkbaar heeft dat te maken met ons beheerder-zijn, beheerder van de plek waar we mogen leven, samen met de mensen die ons gegeven zijn. Een hele verantwoordelijkheid. Hoe doe je dat.

We hebben een gids gekozen, naar wie wij genoemd zijn: Christus, Jezus van Nazareth, die wij nazeggen: uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde.  Maar een gids kan alléén gidsen als je hem vertrouwt. Zijn verhaal staat ook in dat boek met al die andere namen van die ons zijn voorgegaan, met vallen en opstaan, maar het boek moet wel worden geleefd.

Boek jij bent geleefd, zeg ons hoe te leven.

In mijn letters staat geschreven dat alleen de geest doet leven.

Licht en adem is de geest.

     Daarom ben ik neergeschreven, dat jij zonder angst zult leven”.

     Vrouw waar is je broer? Mens waar is je zusje?

’t Meeste van een mensenleven wordt het minste opgeschreven: hoe zij trouw zijn aan elkaar, lijden, sterven, liefde leren,

zouden wij het ook proberen, werd het waar.

“Ja, wie zou die trouwe, verstandige beheerder zijn?”

Amen.