Overweging van Jan van der Wal.

Lezingen: Daniel 12, 1-3; en Marcus 13, 24-32.

Thema: EEN NIEUW BEGIN?!

De lezingen staan vandaag in het teken van een naderend afscheid van de oude wereld. Maar niet zonder dat er geprofeteerd wordt dat een nieuwe wereld zal verrijzen, waarin de uitverkorenen van God gered worden.

Het zal een tijd zijn waarin mensen in barensnood zijn, waarin veel geleden wordt, schijnheilige profeten de volkeren proberen te misleiden en de aarde verwoestingen ondergaat, oorlogen woeden en de volgelingen van Jezus vervolgd worden.

Voorafgegaan door deze tekenen zal een eindoordeel naderbij komen, zo profeteert Jezus; maar Hij waarschuwt ons ook om niet angstig te worden. Na verwoesting komt een nieuw begin. Wel dienen we waakzaam te zijn en de tekenen des tijds te verstaan. En dan spreekt Jezus ineens van een gelijkenis van de vijgenboom. Hij haalt de tekenen door dit beeld van een boom dichtbij. Hij maakt het daarmee behapbaar voor zijn leerlingen, die zich ongetwijfeld rot zijn geschrokken van zijn boodschap.

Een ding moeten zij dus onthouden: er bestaat in alle nood steeds redding. Redding van hen die vasthouden aan de boodschap van liefde en vergeving. 

Door het beeld van de vijgenboom wijst Jezus ons ook op onze eigen omgeving. Zien we daar ook tekenen van verandering, die de komst van Jezus kunnen verhaasten? Zijn er tekenen in onze eigen stad waarin wij als christenen een taak hebben om onze missie uit te dragen? Wij zijn immers geroepen om mee te bouwen aan die nieuwe wereld, waardoor het Koninkrijk, waar God heerst, midden onder ons kan komen.

De huidige wereldproblemen zijn talrijk en soms zo onoplosbaar, dat je er moedeloos van zou worden. Maar in de eigen omgeving waar wij leven kunnen wij wel invloed hebben. Ook en juist als kerk. Ik wil u graag in deze overweging meenemen naar een project dat wij precies zes jaar geleden zijn begonnen. 

Zes jaar geleden openden wij in Nijmegen-Oost het stip, het stedelijk informatiepunt waarin Effata als kerkelijke gemeenschap vertegenwoordigd is en volwaardig deelnemer is om met de gemeente en haar welzijnsorganisaties samen te werken. Wat wilden wij daar eigenlijk? We ondersteunen als wijkpastores buurtbewoners in het zoeken naar zin en betekenis van hun leven, we delen hun vreugde en verdriet, we willen aanwezig zijn daar waar eenzaamheid in onze wijken hoogtij viert.

Ik heb angstige mensen ontmoet, bedroefde mensen, mensen die ongelukkig zijn door tegenslag of door een beperking van welke aard dan ook. In hun nood is het fijn en troostend dat zij beseffen dat er mensen zijn die naar hen omzien. Erkenning geven dat zij er toedoen. Zo ontdekten niet alleen wij maar ook zij een nieuw begin.

De samenwerking met de welzijnswerkers geeft ons erkenning dat geestelijke verzorging een noodzakelijke dimensie is, die gemist wordt in het geheel van de hulpverlening. En wij schuwen niet dat wij vanuit de kerk opereren, gemotiveerd worden door het Evangelie. Ik heb slechts enthousiasme en waardering ontmoet als ik mij zo presenteer en voel mij tegelijk welkom en serieus genomen als partner in de sociale en psychische hulpverlening. Tijdens de Kersttafel en de Paasbrunch zijn wij geen buurtgenoten die samen eten, maar zijn wij kerk die als lokale gemeenschap van wijkbewoners gezamenlijk vieren. 

Toch bekruipt mij na die zes jaar wel het gevoel, dat ik, weliswaar als een vooruitgeschoven post van onze kerk, werkzaam ben zonder dat onze eigen gemeenschap beseft dat wij daar ook kerk hebben ontdekt. Een plek waar mensen in de buurt voor elkaar zorg dragen, waar aandacht is voor het geringe, het gekwetste en waar onze inbreng en aanwezigheid het bestaande slechts versterken kan.

Het STIP-project leeft zo vermoed ik, niet echt in onze gemeenschap: we zijn als gemeenschap vooral gericht op de samenkomst in de liturgie. Maar beseffen we als christenen dat ook daarbuiten de parochie aanwezig is? En dat dit betekenis heeft voor ons samenzijn, een appèl doet op onze gemeenschap om naar buiten te treden?

Als onze kerk vergeten is dat ze missionair is, dus een dynamiek kent die tot taak heeft het Evangelie te verkondigen om leerlingen te maken in de Geest van Jezus, dan zal ze waarschijnlijk geen stand kunnen houden. We zijn namelijk binnenkerkelijk georganiseerd, zo gericht op en vertrouwd met wat we hier zien en willen horen. We zijn vooral een kerk van zorg en van onderhoud; maar zijn we ook in staat nieuwe leden aan te trekken en te behouden? 

Als kerk functioneren wij binnen de samenleving, maar wij vallen er niet meer samen, we zijn eerder een tegenover. Als onze gemeenschap functioneert als een van vertrouwen en geloofwaardigheid, en die weg wil bewandelen, dan vormen wij een venster dat uitzicht biedt op een panorama. Tegenover de Godsverduistering stellen wij de intieme omgang, niet met iets, maar met Iemand. Tegenover de afstand die er in de samenleving tussen allerlei mensen en groepen bestaat, willen wij die afstand overbruggen. Tegenover de angstige en bezorgde houding van veel kerkgangers die de vraag beklemt: ‘hoe overleven wij’ stellen wij de inspirerende vraag: ‘Hoe kunnen wij voor anderen, onze eigen omgeving, van betekenis zijn?’ 

Tegenover onbehagen stellen wij hoop en tegenover onherbergzaamheid een kerk als herberg, die overal kan staan. Juist als wij onze greep op onze wereld verliezen, dan verliest de wereld eveneens zijn greep op ons. Onze dwaze wereld draait door, maar wij ervaren haar als uitlopend op een bevrijdende opening. De toekomst kan tegelijk pijnlijk en verrassend zijn, hoopgevend veranderen in een ruimte van genade, betrokkenheid en liefde die alle dingen nieuw maken. Een nieuw begin inluiden.

Gemeenschapsopbouw heeft het in deze tijd van pandemie en afbraak van veel van het vertrouwde extra moeilijk. Deze afbraak doet ons herinneren aan de profetie van Jezus. Laten we, zoals de vijgenbladeren zacht worden als de zomer in aantocht is, vooral kijken naar de zachtheid van elkaar, van vertrouwde en van vreemde mensen, die evenals wij een nieuwe warmte en een nieuw begin verlangen.

Amen.