Overweging van Frits Muller o.p.

Hand. 7, 55-60, Ps.25, Joh. 17, 20-26.

Thema: Staan in Gods licht ...

Beste mensen, ook deze zondag bevinden we ons nog in de 100 dagen rondom Pasen. Volgende week zondag is het Pinksteren en afgelopen donderdag vierden we dat merkwaardig en geheimzinnig gebeuren van Hemelvaart. 

Inmiddels zijn we tot aan Pinksteren verweesd: Jezus is er niet meer, maar de Heilige Geest laat nog op zich wachten. Deze zondag heet derhalve “Wezenzondag”. Vandaag wordt in veel kerken dan ook gebeden om de komst van de heilige Geest.

Maar: in de evangelielezing van vandaag is het Jezus die voor óns bidt! 

Hij bidt om eenheid; maar niet zomaar om onderlinge eenheid.

De eenheid waarom hij bidt is de eenheid tussen God, Hemzelf en ons mensen.

Het lukt hem niet om zichzelf los denken van God, én niet van ons. 

In zijn gebed vormen God, Jezus en wij mensen één geheel. 

Je zou ook dát een geloofsgemeenschap kunnen noemen...

Een transcendente geloofsgemeenschap wellicht...

Begrijp ik nog wat ik zeg, wanneer ik de woorden uit het evangelie naspreek?

“Zoals U, Vader, in Mij bent en Ik in U, zo moeten zíj in Ons zijn, zodat de wereld kan geloven dat U Mij hebt gezonden.” 

 Over die woorden ligt een huiveringwekkende, onzegbare glans en innigheid,

en die kan ik alleen maar navoelen, wanneer ik besef dat het gebedswoorden zijn, woorden als een uiting van een ziel, die vol overgave verbinding zoekt met haar bron.

Waar een mens zó kan bidden opent zich de hemel en valt de lichtglans van God op onze aarde en op ons, wanneer wij daarvoor ontvankelijk zijn.... 

Deze zondag hebben we te maken met twee mensen die de hemel naar de aarde bidden: Stefanus en Jezus. En beiden spreken over de heerlijkheid die zij aanschouwen: 

Jezus over de heerlijkheid waarvan Hij deel is en waarin hij ons wil doen leven.  Stefanus, wanneer zijn einde nadert, over wat hij ziet: een lichtglans van de hemel die opengaat.

Het boek Handelingen meldt één hoofdstuk eerder (6,15) dat zijn gelaat op dat van een engel lijkt wanneer hij voor het Sanhedrin staat. 

Daarin lijkt hij op die andere beroemde bidder: Mozes,. die vroeg “Heer, laat mij uw heerlijkheid, uw lichtglans zien”.  (Ex. 33,18)

Mozes’ gebed werd verhoord, misschien zonder dat hij het zichzelf bewust was, want wanneer hij van de Sinaï afdaalt, zo meldt het boek Exodus, “was hij zich er niet van bewust dat zijn gezicht glansde omdat hij met God gesproken had. (Ex.34,29 )

En wat lijkt die scene weer op die van de berg Thabor uit het Mattheus-evangelie: (17,2) “Zijn gelaat begon te stralen als de zon en zijn kleed werd glanzend als het licht wanneer Gods stem klinkt: Dit is mijn geliefde zoon in wie ik welbehagen vind; luister naar hem”

Opnieuw komt in mij de vraag op: begrijp ik nog wat ik lees en wat ik zeg? 

Is dit een ervaring die ook ons mensen in het jaar onzes Heren 2019 gegund wordt? 

Raken wij verblind of hebben ook wij de mogelijkheid om zó geraakt te worden dat wij meer dan scherp zien en ervaren?

Ik denk aan existentiële ervaringen als de geboorte van een kind of kleinkind, of een plotselinge ervaring in de natuur die je niet meer loslaat. 

Voor Stefanus, Mozes en Jezus wat dat geen vraag: het licht van God dééd hen scherp zien. 

In dát licht begon Mozes de slavernij te zien waaraan zijn volk ten prooi gevallen was. Het was in dát licht dat Stefanus begon te zien hoe God was weggeregeld, weggeorganiseerd door de godsdienst en de tempel van zijn dagen. 

En in dát licht was hij de Schriften opnieuw gaan begrijpen.

In dát licht weerstond Mozes ondanks al zijn twijfels de Farao,

en Stefanus vanuit zijn rotsvast geloof: het Sanhedrin.

Het was in Gods licht dat Christus de geldende wereldorde onder kritiek stelde, weliswaar vaak in aanvankelijk voor zijn leerlingen onbegrijpelijk gelijkenissen, maar toch. 

Het is voor de inrichting van onze samenleving van onschatbare betekenis gebleken dat ons zijn ideaal van een christelijk – humane maatschappelijke ordening is doorgegeven. 

Dat we daardoor helder kunnen zien hoezeer een veelal mensonwaardige orde in grote delen van de wereld nog steeds van kracht is, waarin de ene mens is onderworpen aan de ander, waarin mensrenrechten met voeten getreden worden. 

In het licht van God ziet Jezus een ander bestel: waarin mensen één zijn, waarin zij naar elkaar omzien, waarin leiders hun volken dienen in plaats van overheersen, en waarin de laatsten de eersten zijn, gevangenen worden bevrijd en weduwen en wezen niet aan hun lot worden overgelaten.

In Gods licht ziet Hij een wereld zoals die bedoeld is, een wereld waarin God ziet dat het goed is...

Tot slot: over dat bidden gesproken waar dit verhaal mee begon: 

gaat het ten diepste niet zo met al degenen die bidden; 

dat zij een glimp opvangen van díe wereld?

Is het niet zo dat, wanneer ik écht in mijn gebed verzink, dat ik aan mijzelf word teruggegeven?  En dat ik mijn medemens kan zien met nieuwe ogen?

Dan valt er een nieuw licht over mensen en dingen...

Mogen wij de moed hebben om geregeld in onszelf te keren om in dat licht te gaan staan. En dat we moed houden om onszelf, en onze plaats in de wereld

goed te kunnen zien, hoe moeilijk dat soms ook is. 

Dáárvoor bidt Jezus in het evangelie van vandaag, uit het diepst van zijn ziel: voor een gemeente, voor een geloofsgemeenschap, die de moed heeft om te zien, om niet blind te zijn. 

Om zíjn boodschap te horen, door te geven en van daaruit te leven. 

Om zo zelf licht te zijn.

En het verrassende is: Het is aan óns om Zíjn gebed te verhoren.

Mogen wij zo doen, Amen.