Overweging van Jan van der Wal.

Lezingen: Exodus 3, 1-8a, 13-15; en Lucas 13, 1-9.

Thema: Gezien worden en zien.

Gezien worden en zien.

Zij staan centraal in de teksten die wij zojuist gehoord hebben. God heeft Mozes al lang gezien toen hij de kudde van zijn schoonvader diep de woestijn in dreef. Mozes wordt door God gezien, en uitverkoren om zijn volk de vrijheid te hergeven. God laat zien dat Hij oog heeft gehad voor het volk in Egypte dat onderdrukt wordt in een vreemd land. En dan pas ziet Mozes.

God maakt zich bekend aan Mozes als de God van zijn voorouders. Mozes ziet slechts de doornstruik die in vuur en vlam staat, en toch niet verbrandt. Het is een heilig vuur, waarin God zich openbaart en tot Mozes spreekt. Mozes durft God echter niet aan te zien en bedekt het gezicht. Als Mozes vraagt naar zijn naam, dan is het antwoord: ‘Ik zal er zijn’. God zal bij zijn volk zijn wat er ook gebeurt. God is dichtbij ons, een aanwezigheid die ons hart verwarmt en onze ziel doorgloeit.

God heeft ons het eerste gezien, nog voordat wij Hem op het spoor zijn gekomen. Het verhaal van Mozes is een bekeringsverhaal. Pas dan, na een diepe geestelijke ervaring, die ons onverwachts overkomt, gaan wij anders kijken, kunnen wij echt zien, begrijpen waar het in ons leven eigenlijk om draait. 

Voor de Veertigdagentijd hebben wij het thema ‘het geloofde land’ gekozen. Het geloofde land is een land van vrede, welvaart en overvloed waarin wij willen geloven, een land wat we graag willen bewonen zoals wij het ons in een ideale toestand voorstellen. De Bijbel reikt ons de gedachte aan dat het land wat wij bewonen en bewerken ons toevertrouwd wordt. We dienen er verantwoordelijk voor te zijn, te behoeden voor de huidige en toekomstige generaties. God schenkt het ons opdat wij zijn schepping onderhouden zullen.

Eens te meer zijn wij door de schok van de oorlog in Oost-Europa met ons neus op de feiten gedrukt. Hoe belangrijk is het om veilig te zijn in het land waar je woont, werkt, geniet van de natuur en die onderhoudt en bewerkt. Hoe ernstig is het als er hongernood dreigt in een land dat de graanschuur van Europa wordt genoemd? Hoe ernstig is het als je land wordt bezet door een meedogenloos leger dat alles van waarde om je heen vernietigt? Je land is je leven!

Elk volk wil toch in vrede leven, een eigen grond, een stuk land bezitten waar het in vrede en voorspoed kan leven. Veel landbouwers in Latijns-Amerika en Azië die de Vastenactie dit jaar ondersteunt, houden zich daarom vast aan het visioen van een geloofd land van vrede en voorspoed. Zij zien met eigen ogen, zij ervaren als geen ander hoe het is als je van je land verdreven wordt door onteigeningen, als de natuur wordt verwoest door houtkap en aanplant van plantages, landbouwgrond verdwijnt voor mijnbouw, menselijke culturen worden vernietigd. 

Nu zien we zelf in Europa wat al jaren elders ter wereld is gebeurd, dichtbij komen: mensen die door oorlog moeten vluchten en tegelijkertijd met hun land en hun grond ook alle bestaanszekerheid verliezen. 

Gezien worden en zien. Als we gezien worden door God, ons gezien weten, hebben we dan niet de verantwoordelijkheid ontvangen om daarvan te getuigen bij anderen? Welke plaats in ons leven geven wij aan God en zijn belofte van een geloofd land? Is het niet veel gemakkelijker om te leven alsof God niet bestaat – we zien Hem immers niet -  dan te leven met Hem? In God geloven betekent niet te weten dat Hij bestaat. 

In God geloven betekent van Hem houden, zijn naam eren en daarmee al het geschapene om ons heen waarachtig lief te hebben. Iets in de diepte van ons bestaan zegt ons dat God bestaat, maar ook dat wij soms willen dat Hij er niet altijd is, ons niet herinnert aan dat geloofde land. Die laatste momenten zijn de momenten van onze menselijke zwakheid: aspecten van deze houding leiden uiteindelijk tot voorrang van onze eigen waarheid, sociale meedogenloosheid, oorlog, onteigening, uitbuiting en roofbouw op de natuur.

Echt geloven betekent rekening houden met God en zijn schepping, ook als we Hem niet zien, in de leegte staren, alleen een naam overhouden die ons zegt: ‘Ik ben er voor jullie.’ Zijn naam is een zending voor ons allemaal.

Jezus roept de mensen om Hem heen bij voortduring op tot inkeer, trouw als Hij is als leerling van Johannes de Doper. Bekeer je voordat het te laat is. Maar Jezus maakt een belangrijk onderscheid. Hij roept op tot inkeer, maar met liefde en geduld, niet met dreiging. De wijngaardenier vraagt aan de landeigenaar om een tweede kans voor de vijgenboom, hij zal de grond extra bewerken zodat alle omstandigheden zo optimaal mogelijk zijn. 

Jezus gebruikt deze gelijkenis om ons te laten zien dat we een nieuwe kans krijgen om te leven in dat geloofde land, zoals God de mens bedoeld heeft. God heeft namelijk al lang zijn hand op ons gelegd: zijn trouw en barmhartigheid zijn blijvend en definitief.

Heb dus als je tegenslag ondervindt, als je stagneert, maar geduld met jezelf, maar wees dan ook mild voor jezelf - en voor anderen - opdat de vruchten die je voort kunt brengen kunnen groeien en rijpen. Wees dus zuinig op je eigen innerlijke akker en bewerk die met liefde en met omzichtigheid. 

Als je door God bent gezien dan word je onverwachts opnieuw geboren, zoals Mozes. Dan ga je niet alleen anders kijken naar jezelf en verlangen naar een geloofd land. Dan ga je ook anders leven en je inzetten voor een rechtvaardiger en schone, bloeiende wereld: een haalbaar land van belofte.

Amen.