Overweging van René Klaassen.

Lezingen: Handelingen 15, 1-2 en 22 - 29; en Johannes 14, 23 – 29

Hoe het u vergaat in deze dagen weet ik niet zo goed, maar telkens wanneer Hemelvaart nadert en in de verte het Pinksterfeest gloort, de voorbereidingen voor die feestdagen zijn al een heel eind, bekruipt mij ieder jaar weer opnieuw het gevoel: wat zou er in die dagen na Pasen door die groep leerlingen en volgelingen zijn gegaan aan emotie en wat zullen zij met vragen gezeten hebben. En de beide lezingen van vandaag hebben dat nog eens versterkt. 

Het eerste wat me is opgevallen bij het lezen van de beide teksten, dat ze niet dateren uit de tijd waarin we ons bevinden. We horen verhalen uit de dagen na Pinksteren, als zich al de contouren aftekenen van de nieuwe godsdienst. Er tegenover de  Johannes tekst en die is van de avond van Witte donderdag. 

De lezing uit handelingen vertelt over waar de mensen mee worstelden in de tijd, volgens mij dus al na Pinksteren, want er wordt immers gesproken over de strijdvraag of je besneden moest zijn om volgeling van Jezus te kunnen zijn, om christen te worden en er wordt openlijk gesproken over de geest die ons is komen helpen, als een voldongen feit : er staat duidelijk, “de heilige Geest en wij hebben besloten u geen last op te leggen”.  Taal van na - Pinksteren en de strijdvraag gaat over wie er nu wél en eventueel niet Christen kunnen, mogen worden. en het antwoord is al even zozeer duidelijk : wij leggen daar aan niemand regels over op, maar iedereen die zich houdt aan de regels die Jezus zelf voor leefde en voor de goede luisteraar al hun oorsprong hebben in de geboden die ooit lang geleden Mozes al aan het volk oplegde,  is welkom bij de club. Als u zich daaraan houdt, is het in orde. Het ga u goed.’  Daarna was definitief vast gesteld dat het Christendom, de nieuwe religie toegankelijk was en is tot op de dag van vandaag voor iedereen van goede wil. Het ga u goed, misschien ook wel mooie woorden voor straks in het slotgebed van deze viering.

Bij het lezen van de Johannes tekst stopte mijn aandacht al na de eerste vijf woorden. …. “Jezus gaf hem te antwoord”. Ik weet nog precies wat ik dacht : is deze tekst weer een verschijning of is dit een tekst uit het leven van Jezus? En de tweede gedachte er direct achter aan : op welke vraag wordt hier geantwoord? Waarom lezen we die vraag niet?

In mijn studietijd heb ik geleerd van docent Joop Smits, dat je op zulke momenten verder moet lezen dan je neus lang is. Daar bedoelde hij mee  : eerder beginnen en vaak ook verder doorlezen dan de verzen die de perikoop, de tekst van vandaag, aangeeft. Dat heb ik dus eerst gedaan. Ik ben eerder begonnen met lezen en vond zo dat het verhaal zich afspeelt op de avond van Witte Donderdag. De leerlingen zitten aan tafel, met Jezus nog in hun midden. Judas is net een paar verzen eerder vertrokken nadat Jezus hem een stuk brood heeft gegeven. De rest zit er perplex bij en vraagt zich af wat er nu gaat gebeuren. Allereerst herhaalt Jezus de boodschap die we vandaag ook uit handelingen horen: Hebt elkaar lief, zoals ik jullie heb lief gehad. Daaraan zal iedereen voortaan kunnen zien dat jullie mijn leerlingen zijn, dat jullie Christenen zijn. Vervolgens voorspelt Jezus Petrus, dat hij hem tot drie keer toe zal verloochenen. En dan probeert hij de groep ook nog eens gerust te stellen door te filosoferen over zichzelf en zijn band met de vader en over het huis waar die dan woont en waar hij heen zal gaan en vanwaar uit hij weer zal terugkeren en vanwaar uit hij een helper zal sturen, die als de geest, de geest van de waarheid bekend mag staan.

Het is helemaal niet verwonderlijk dat dit die avond van Witte donderdag, terwijl jezus nog gewoon tussen hen in was de nodige vragen heeft opgeroepen. Waarom ze niet in de tekst staan die we hoorden weet ik niet maar de vragen liggen voor het oprapen:

Petrus : Waarom kunnen wij u niet volgen?

Tomas : Heer, wij weten nietwaar Gij heen gaat, hoe moeten wij dan de weg kennen ?

Filippus: Toon ons de vader, dat is ons genoeg ?

En tegen de achtergrond van deze vragen horen we vandaag het antwoord van de dan nog levende jezus zelf:

Zonder , en dat vind ik eigenlijk een beetje jammer, het ook maar met een enkel woord over de rol van zijn moeder Maria te hebben probeert hij duidelijk te maken hoe het na zijn dood verder zal gaan. Hij zegt dat het niet gaat om zijn eigen leven, al was het wel broodnodig dat hij het in eigen persoon hier op aarde voorgeleefd heeft, maar dat het gaat om het gebod van elkaar liefhebben. Wie zullen hem dat anders in de aardse vorm geleerd hebben dan zijn moeder en vader, maar dat laatste staat er in een hogere betekenis. De rol van vader Jozef komt ook niet meer ter sprake. Maar het gaat Jezus nu al over de hogere vorm van Vader in feite ook de hogere vorm van zichzelf en tegelijkertijd ook nog een de hogere vorm van de helper, de beloofde Geest, die hier al heilig genoemd wordt, ruim vijftig dagen voor zijn komst. De helper die ons in alles zal onderrichten. De helper die ons door alle tijden heen, tot op de dag vandaag en morgen. Die zal ons alles laten begrijpen. En eigenlijk is dit al een moment om te zeggen … moge het zo zijn …. En dan volgt er nog en heel mooie slotzin van Johannes achteraan die ook nu, vlak voor hemelvaart en Pinksteren, graag nog eens herhaal

Als jullie Mij liefhadden, zou het jullie met vreugde vervullen dat Ik heenga naar de Vader, want de Vader is groter dan Ik.  Ik zeg het jullie dus nu al, voordat het zover is, dan zul je, als het zover is, geloven. 

Moge het zo zijn ….