Overweging van Jan van der Wal.

Lezing: Ezechiël 34, 11-12, 15-17.

Thema: Christus Koning van het heelal.

In een tijd dat Israël een grotendeels agrarische samenleving was, vormden herders, handwerkers en handelslieden een uitzondering. Herders zwierven door het hele land op zoek naar weidegrond voor hun kudden. Ezechiël die leefde aan het begin van de ballingschap in Babylonië, trok met het weggevoerde volk mee en werd daar geroepen tot het ambt van profeet. Tegenover de verstrooiing van de slechte herders die hun volk niet hebben gehoed, plaatst Ezechiël de goede herder die recht doet aan zijn schapen door de kudde te verzamelen. 

Het bijzondere is dat hij God als rechtvaardige herder laat optreden nu de leiders het volk in de steek hebben gelaten. God zoekt de kudde op. Hij geeft alle dieren die onderling zo verschillen, zelfs gelijke en passende aandacht. Want alle dieren willen er in hun verschillen toch bij horen. Veiligheid en rust worden beloofd als de kudde weer bijeen is gebracht. Een visioen van vrede wijst vooruit naar een toekomstig Rijk.

Van die landelijke samenleving die Nederland vroeger was, is nog maar weinig over. Toch blijft het beeld van de herder die zijn schaapskudde hoedt een krachtig beeld, dat gaandeweg romantische trekken heeft gekregen. In werkelijkheid geven de teksten die verbonden zijn aan het beeld van Gods volk als een kudde schapen die gehoed en geweid moet worden, zicht op een verlangen van mensen om bij elkaar te horen, hoe verschillend ze ook zijn.

In deze tijd van beperking en isolement kunnen ze een krachtige tegenspraak vormen. Mensen zijn van nature niet geneigd om zich af te zonderen, zij willen elkaar opzoeken zoals ook vandaag. Dat hebben wij nodig, anders verpieteren we. Maar wie zorgt er in deze tijd nu voor al die verdoolde schapen, die soms in hun eigen huis verdwalen, doordat de weg naar de samenleving lijkt afgesneden.

We zijn een verstrooid volk geworden, losgekomen van zijn leiders, maar nu ook los van elkaar. Wie brengt ons nu bijeen nu we gemaand worden zoveel mogelijk op onszelf te blijven, elkaar waar mogelijk te mijden?

Ook in een noodsituatie zijn er wegen die perspectief kunnen geven om aan die onvrijwillige ballingschap te ontsnappen. God wil ons als Herder en Koning bijeenbrengen, maar Hij slaagt daar alleen maar in als wij zelf ons leven richten op elkaar. God is Koning: Hij wil zorgen voor zijn onderdanen opdat ze het goed hebben: Hij wenst dat er recht wordt gesproken, dat veiligheid terugkeert en dat zieken en bedroefden kracht ontvangen. Als de herders ontbreken of niet in beeld zijn om het verstrooide volk bijeen te brengen, dan moeten de schapen zelf herder worden om de verlengde hand van God te zijn. Wij zijn thans een missionaire kerk. Wij hebben in deze tijd extra taken te verrichten om herder voor elkaar te zijn, elkaar op te zoeken om ons weer aan elkaar te verbinden.

Gelukkig gebeurt dat ook in onze gemeenschap. Niemand wil dat leden van onze gemeenschap verloren lopen, maar we kunnen dat niet steeds voorkomen. Verdoolden dragen ook zelf een verantwoordelijkheid om zich weer bij de kudde aan te sluiten, of de herders in tijd van nood op te zoeken. We kunnen directe en indirecte herderlijke zorg geven. Belangrijk is dat wij hierin passende aandacht geven die kijkt vanuit het perspectief van de ander, om van daaruit zo nauw mogelijk aan te sluiten bij de behoefte die er is ontstaan.

Onze gemeenschap wordt zoals gemeenschappen overal elders danig op de proef gesteld. Hoe lang duurt deze ballingschap nog, verzuchten velen. Het feest van Christus Koning wil in herinnering brengen dat God heerst in zijn Koninkrijk. Maar als dat Rijk volmaakt was, dan was er geen God nodig. Juist in die onvolmaakte, onvoltooide werkelijkheid die zo vol barsten is, is ooit lang geleden het verlangen ontstaan naar vrede en geluk. We hebben een God nodig om voor ons op te komen en te zorgen, en God heeft ons nodig om dit te bereiken. 

Volgende maand vieren wij weer de geboorte van die God, die zoals Ezechiël voorspelde, op aarde kwam om ons op te zoeken en bijeen te brengen. Mogen wij die Koning ook nu verwelkomen door zijn komst elk moment te verwachten, door Hem in het leven van alledag te zoeken en te herkennen, en ook in elkaar.

Amen.