Overweging van Wim Rigters.

Lezingen: Leviticus 19, 1-4.9-19. Psalm 103. Matteüs 5,38-48

In de lezingen van de laatste 3 zondagen ging het steeds over wat er wel en niet van ons verwacht wordt, over wetten en voorschriften, over hoe en wat wij moeten zijn, over wat wij wel en niet mogen en moeten: over de oude wet – de 10 geboden, en de nieuwe: de Bergrede van Jezus. 

Herman Finkers vond de 10 Geboden een deprimerend verhaal. Maar de overweging van pater Metz vorige week vond ik zo indrukwekkend en positief dat ik me afvroeg wat  ik  daar vandaag nog aan zou moeten toevoegen;  het gaat immers weer over hetzelfde: het onderhouden van de geboden en wat Jezus daaraan toe te voegen heeft. 

Er wordt echter nog een schepje bovenop gedaan, een klapstuk als afsluiting: ‘Wees heilig’ en:  ‘jullie zullen dus onverdeeld goed zijn’ -  een aantal jaren geleden lazen we daar nog: ‘weest

volmaakt zoals uw hemelse vader volmaakt is’. . . .

‘Wees heilig!’, ’wees volmaakt!’

Het is al lang geleden: als pas gewijd priester kwam ik te wonen in een grote communiteit van  medebroeders in Cadier en Keer, dicht bij Maastricht – verbonden aan een internaat voor ZMOK,  Zeer Moeilijk Opvoedbare kinderen – zoals dat toen heette.  Het was Carnavals-maandag en ik mocht ’s morgens heel vroeg op assistentie – de Mis gaan doen -  bij de zusters in Maastricht. Op de terugweg naar huis door het uitgestorven Maastricht,  reed ik via het Mariaplein – zo genoemd vanwege de hoge zuil met het beeld van Maria en daaromheen 4 grote beelden van Maastrichtse bisschoppen. Vanuit de verte zag ik iets vreemds aan één van de beelden – iets wilt – en dichterbij zag ik het: in de hand van één van de bisschoppen stak een lege friteszak . . . . 

Spotten met het heilige? Of typisch Mestreechs carnaval? . . . . 

Wees heilig! Wees volmaakt!

‘Houd je aan de geboden’ zei Jezus tegen de jongeman die hem vroeg hoe hij het eeuwig leven kon verwerven. ‘Dat heb ik altijd gedaan‘ was zijn antwoord. En Jezus keek hem liefdevol aan en zei: ‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zul je een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij.’ . . . . 

De 1e lezing vandaag begon met: ‘De Heer sprak tot Mozes: zeg tegen heel de gemeenschap van de Israëlieten: Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig’  en eindigde met: ‘U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Ik ben de Heer.’ 

Tussen deze twee zinnen in staat beschreven hoe het volk geacht werd dat ‘heilig zijn’ in te vullen. Daarbij wordt verwezen naar het leven van alle dag. Geen hoogverheven heiligheid, geen vrome pilaarheiligheid. Maar heilig in de betekenis van ‘heil’ d.w.z. ‘heel’ of ‘gaaf’. Zó met elkaar omgaan in het leven van alledag dat ‘n ander er ‘heel’, ‘gaaf’, ‘beter’ van wordt. Zo met  elkaar omgaan dat het een ander goed doet.

In de mond van Jezus klonk dat zó: ‘Jullie zullen dus onverdeeld goed zijn’.  Geen oproep om je los te maken van het aardse, maar juist om met huid en haar met dat aardse bezig te zijn, om van dat aardse een ‘paradijs’ te maken, een stukje hemel op aarde. Een oproep aan ieder van ons om daar naar eigen aard en mogelijkheden aan mee te werken. . . .  Als dat eens de toon, de grondtoon, zou 

zijn van alle politieke slogans die we dagelijks om vijf voor zes over ons uitgestrooid krijgen.

Karmeliet Jo Tigheler schreef in het tijdschrift Speling over het evangelie van vandaag; 

“De Bergrede is een profetische tekst  die mensen verliefd wil maken op een manier van leven 

die gelooft dat het onmogelijke toch mogelijk is:  dat mensen in liefde en vrede met elkaar kunnen leven  naarmate ze iets ervaren van het Geheim van de onverdeelde Goedheid van de Vader in de hemel.  En omgekeerd: dat mensen iets zullen ervaren van dat Geheim naarmate ze in liefde en vrede met elkaar leven.  Een profetische en inspirerende uitdaging voor mensen die het niet kunnen laten erin te geloven en eraan te werken, van mens tot mens, binnen en vanuit de eigen leef- en werkkring, maar ook een uitdaging voor de velen  die in allerlei organisaties en groepen proberen 

op creatieve en soms ook ludieke en narrische manier het geweld en het onrecht te keren, en niet zonder succes: Amnesty International, Pax Christi/IKV, Greenpeace,  Vrouwen-beweging voor Vrede, en allerlei basisgemeenschappen met hun werk- en actiegroepen. 

Ieder kan deze rij aanvullen met voorbeelden uit eigen omgeving. Al deze mensen weten hoe moeilijk het is onverdeeld goed te zijn. Niemand mag dat van een ander vragen.  Ik kan mij alleen maar persoonlijk aangesproken voelen  om het te proberen. De Bergrede veroordeelt niemand die zijn wang niet klaar houdt voor de klap. Maar hij blijft mij wel uitdagen om meer te doen dan ik doe, 

en om verder te gaan dan ik nu ben.”  – einde citaat.

‘Kent u die uitdrukking?’ – zou dominee Gremdaat zeggen – ‘Kent u die uitdrukking ook? ‘Mag ‘t ietsje méér zijn?’  De meesten van ons hoorden ‘m vroeger vaak bij de slager en de melkboer, toen alle levensmiddelen nog niet voorverpakt en afgewogen voor het grijpen lagen: ‘Mag ’t ietsje méér zijn? – nooit: ‘Mag ’t ietsje minder zijn?’

Misschien bedoelde Jezus dat wel, toen hij zei: ‘Als je alléén je broeders groet, wat voor bijzonders doe je dan? Doen de heidenen dat ook niet?’

Misschien ook een goede vraag voor de komende 40-dagentijd, waarin dit jaar het thema ‘Barmhartigheid’ centraal zal staan:

Mag ‘t ietsje méér zijn?