Sacramentsdag, Vrijwilligersdag.

Overweging van Hans Hamers, o.p.

1 Korintiërs 13,1-10 + 13;  en Lucas 9, 11b-17    

Vandaag vallen samen Sacramentsdag, een katholiek hoogfeest, vroeger meer dan tegenwoordig, met onze vrijwilligersdag, waarop de vrijwilligers binnen onze Effata-Dominicuskerk bedankt worden. Met permissie, deze overweging gaat toch meer over het feest van het heilig sacrament, dan over spiritualiteit van de kerkelijk vrijwilliger. Overigens, dat laatste is wel een onderwerp dat aandacht verdient. Wellicht volgend jaar, dan vallen Sacramentsdag en vrijwilligersdag niet samen.

Ik moet u tevoren iets bekennen. Als u straks na afloop van de overweging denkt “mij is het niet helemaal helder”, troost u dan, u bent waarschijnlijk de enige niet. Voor deze overweging heb behoorlijk moeten worstelen met de teksten, Sacramentsdag is geen makkelijk startpunt. Dus vandaar.

Het heilige sacrament ronddragen na de mis van doen we niet meer. Ik heb het zelf nog nooit meegemaakt. Mijn voorstelling daarbij is dat op iets klein nietigs geconcentreerd wordt, en dat daar het allerheiligste in verborgen is, dat roept vervreemd beeld op. ‘Hoezo? Ik zie alleen maar een plat stukje brood.’ En ik zoek juist graag de ruimte, de mogelijkheden, perspectief in een uitnodigend beeld, niet vervreemd. Het heilig sacrament hoort tot het hart van ons katholieke geloof, dus links laten liggen is geen optie.

Het heilig sacrament, het gaat om Gods aanwezigheid, die zichtbaar/tastbaar/aanschouwelijk wordt gemaakt. De Hoezo-vraag van daarnet is dat niet wellicht ook een vraag naar het mysterie, hoe het heilig sacrament ons ruimte geeft of bijdraagt om te leven, om ons te vormen, om waarlijk en heel mens te zijn in onze relatie met God? Hoe kunnen of mogen we dat zien?

Aan de hand van de schriftteksten kunnen we daar iets meer inzicht in krijgen, hoop ik, althans. De tekst uit de eerste brief van Paulus aan de christenen van Korinthe gaat over de liefde. Het is een grote lofzang op de liefde. Een paar kernzinnen wil graag even naar voren halen. “De liefde is geduldig” en “Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verduurt zij. De liefde vergaat nooit” en “Deze drie dingen blijven altijd bestaan: geloof, hoop en liefde; maar de liefde is het voornaamste”. Paulus benadrukt de alomvattendheid van de liefde, vooral in de tijd, door woorden te gebruiken als ‘verduren’, ‘vergaat nooit’, ‘blijven altijd bestaan’, en ook …. ‘geduldig’. De liefde is ook geduldig, of liefde maakt het mogelijk geduld te oefenen. En geduld oefenen, om dat te kunnen volhouden is vertrouwen nodig, vertrouwen dat het echt kan gebeuren, of echt zal komen, bijvoorbeeld omdat je nu eenmaal toch gelooft, in je zoon die het verkeerde pad opgaat, je gelooft dat hij tot inkeer zal komen. Geduld. Zo werkt liefde en vertrouwen.

In de Lucas-lezing horen we hier ook iets van terug. Jezus spoort de leerlingen aan om met die paar broden en vissen de menigte te voeden. Dat kan helemaal niet, maar hij spoort hen aan gelovig te vertrouwen dat het ze al lukken. Er zijn maar een paar broden en vissen. Het is er, gegeven, zoals de aanwezigheid van Jezus bij de leerlingen ook gegeven is, door de Vader. Hier wordt gegeven wat nodig is om te leven. Jezus liefdevolle inspirerende/aansporende aanwezigheid gaat hier samen met de aanwezigheid van het brood, immaterieel en materieel. Deze worden onlosmakelijk met elkaar verbonden in dit optreden van Jezus.

Brood en betoonde liefde, naar de leerlingen en de menigte, vermeerderen zichzelf als het wordt gedeeld. Het brood wordt hiermee een krachtig teken van Gods overvloedige liefde aan ons.

In de lezingen is Jezus nabij, en in het brood is er als teken direct mee verbonden. Het wordt in de ervaring van de mensen rond Jezus direct verknoopt met elkaar, op meer plaatsen in de evangelies. In onze tijd, is er vaak geen enkele ervaring van Gods aanwezigheid. Dan komt het brood wel heel erg op zichzelf te staan, en kan betekenisloos worden. Een veel getrokken conclusie in onze cultuur van vandaag is dat God niet bestaat. Ik ben atheïst. 

Thomas Halik zegt in de inleiding van zijn boek Geduld met God daariets heel moois daarover. Als God afwezig is, dus niet ervaren wordt of kan worden, en zijn bestaan dan ontkend, dan zegt Halik tegen de atheïst: “je hebt geen geduld met God”. God laat zich zo gemakkelijk niet zien, want God is verborgen. Het is zaak om geduld te oefenen en de deugden van geloof, hoop en liefde, bijvoorbeeld gepraktiseerd in gelovig vertrouwen, zijn aspecten van dat geduld dat we te oefenen hebben met God. Hier in onze vieringen benoemen we dat vaak met zoeken en tasten. God is verborgen. De ‘Hoezo-ik zie alleen maar een stukje plat brood ‘-vraag van het begin heeft dat al in zich. We kunnen kiezen: in geloof, hoop en liefde geduld oefenen, of God ontkennen? Laten we voor het eerste opnieuw kiezen, en geduld oefenen, om Gods aanwezigheid te ervaren, ook in het heilig sacrament.

Moge het zo zijn.