Overweging van Wim Rigters.

Lezingen: Genesis 18, 20-33 en  Lucas 11,1-13.

Thema: Bidden ---- om hebben of zijn?

2 verhalen ‘uit geloof geboren’ – zoals we zongen – en dan dit gedichtje: 

 “Soms dan hoor je mensen zeggen:  Wat heeft bidden nu voor zin?'

   Denk je dat God naar je luistert,  daar geloof je toch niet in?                                                                                          

  Maar gelukkig mag ik weten, als ik echt en heel oprecht                                                                                                    

   met de Here God ga praten, luistert Hij naar wat ik zeg.” 

Zó begint ‘Kinderopwekkingslied 97’ dat ik tegenkwam op internet.

Bidden . . . , gebeden zeggen . . . ; je kent ze uit je hoofd – maar ik denk dat dat bijna alleen nog maar geldt voor mensen op hoge leeftijd: bij katholieken de rozenkrans of het rozenhoedje, Marialiedjes en

schietgebedjes, en bij protestanten de liederen van Johan de Heer. 

Persoonlijk heb ik twee ervaringen, als het over bidden gaat, die mij altijd bij zijn gebleven.

De eerste uit mijn kindertijd; ik was bij een vriendje thuis en mocht ’s avonds daar blijven eten. Aan het begin van de maaltijd zei de vader: Wim, wil jij eerst bidden? - ik was immers katholiek en zij protestant -  en toen . . . ik denk: ogen dicht,  kruisteken, stil, kruisteken . . . en toen ging de vader bidden . . . ik weet niet meer wat, maar het was heel anders.

De tweede ervaring was veel later: ik was geroepen naar het ziekenhuis om  iemand de ziekenzalving toe te dienen. Bij aankomst trof ik een overvolle ziekenkamer: echtgenote, kinderen en aanhang rondom een  bed waarin man en vader lag - maar heel  onrustig, roepend, zwaaiend met de armen en schokkend met het hele lichaam . . . . . hoe hier nu dit sacrament bedienen? . . . .  ik kreeg zijn handen in de mijne en zei - ik weet geen naam meer - zullen we gaan bidden? . . . . hij werd volkomen rustig, legde zijn handen neer . . . en bad zelfs mee . . .

Bidden . . .

Mijn moeder heeft heel veel gebeden, tot Maria, maar vooral tot de H. Antonius, haar goede vriend. Toen ze tegen de 90 liep en nogal wat kwalen kreeg, zei ze me vaak: ‘ik kan niet meer bidden, en dat vind ik zo erg.’ Ik heb haar toen ’n keer een gebedenboek met grote letter gegeven, maar dat hielp niet.   

Mijn moeder was de enige niet; tijdens mijn jaren als geestelijk verzorger in ’t verpleeghuis heb ik mensen zo vaak horen verzuchten: ‘ik heb God uit de hemel gebeden, dag in dag uit, maar het lijkt of Hij niet luistert; míjn gebeden verhoort Hij in ieder geval niet! Waaraan heb ik dit verdiend? En kijk ‘ns wat er allemaal in de wereld gebeurt! Hoe kan God dat nou toelaten?’ 

Dat zei Abraham ook: ‘Dat kunt u toch niet maken, God, dat is toch niet rechtvaardig: de goeden, de onschuldigen ombrengen omwillen van de slechten, de schuldigen? – hoe aktueel! -  En God luistert . . . . zelfs als er maar tien zijn . . .   En dan dat einde van het verhaal:  ‘Zodra de HEER zijn gesprek met Abraham beëindigd had, ging Hij weg, en Abraham keerde naar zijn woonplaats terug’. Hij heeft z’n best gedaan, Abraham, en dan is het verder aan God; hij krijgt wat hij vraagt: Sodom wordt wel vernietigd, maar 4 rechtvaardigen worden gespaard: neef Lot, zijn vrouw en 2 dochters. 

Als de leerlingen Jezus vragen: ‘Leer ons bidden’,  krijgen ze geen theoretische uiteenzetting, maar een voorbeeld: ‘Vader, uw naam worde geheiligd, uw koninkrijk kome; geef ons elke dag het nodige brood en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven ieder die ons iets schuldig is, en breng ons niet in beproeving.’ De regels  in deze volgorde maken het tot één grote vraag om te mogen leven in de Geest van God en diens bedoelingen; dan is dat vragen tevens een ‘ja zeggen’; wie zo tot God bidt, spreekt zijn/haar bereidheid uit om ook naar dit gebed te leven. . . .

En dat is heel wat moeilijker, dan het routinematige uitspreken van het ons zo overbekende ‘Onze Vader’.

Wellicht voegt Jezus daarom toe: ‘Zoals ouders hun kind het goede geven’ – en dus niet altijd wat ze vragen, voeg ik dan toe – ‘zal God dan niet de Heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen?’                                                                                 

Zou het daarom zijn dat God mijn gebeden niet verhoort? Omdat ik wel veel  vraag, maar niet in Zijn Geest, niet om Zijn Geest? En is dat dan de kracht van Abrahams gebed: wel vragen, maar dan met open

handen: vertrouwen?                                                                                                                        

Bidden: vragen om te hebben . . . .  of bidden: vragen om te zijn, namelijk in Gods Geest.

 Dat trof mij zo in een gedicht van Ed Hoornik . . . . ik wilde het u niet onthouden; het staat op de achterkant van uw boekje:

Hebben en zijn 

Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werklijkheid, de andre schijn. 

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn. 

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht. 

Moge het zo zijn.