Overweging van Jan van der Wal.

Exodus 3, 1-8a, 13-15; en Lucas 13, 1-9.

Thema: "Draagt ons leven vrucht?".

Als het kwaad goede mensen treft. Dat zou de aloude vraag kunnen zijn van de Evangelietekst. De mensheid buigt zich al eeuwenlang over de vraag hoe het toch mogelijk is dat mensen onschuldig sterven door een ernstige ziekte, een tragisch ongeval, of erger, door een moordaanslag. Hoe kunnen we God ter sprake brengen als zich iets dergelijks voordoet? Hoe houden wij zicht op een goede en barmhartige God te midden van rampspoed en ellende? Een en ander doet een dringend beroep op ons rechtvaardigheidsgevoel. 

In de vraag naar het kwaad lijken Gods almacht en Gods barmhartigheid in het geding. Hoe staan zij in relatie tot elkaar, als het kwaad goede mensen treft? Kan God indien Hij almachtig is en tegelijk liefdevol, het lijden toestaan? Is ons lijden een straf voor eerdere zonden, door ons begaan of onze voorouders of zelfs door dit mensengeslacht, zoals in Jezus’ tijd gebruikelijk was te denken?

Heeft God een plan met dit lijden, en moeten we daar betekenis aan geven in ons leven? Dienen we uit het lijden lessen te trekken en onszelf te louteren? Wordt het lijden door God ingezet om ons dichter bij het geheim van het leven te brengen? Of is het lijden daarentegen een mysterie dat we zonder waarom moeten ondergaan, om in dat lijden de ware aard te ontdekken van Gods liefde. 

Jezus heeft weet van deze levensvragen. Maar Hij verrast zijn gehoor met antwoorden die niet bevredigen. Hij noemt voorbeelden van Joodse vromen die sterven terwijl ze bezig zijn hun religieuze verplichtingen te verrichten. Op de vraag of zij deze wrede dood aan zichzelf te danken hebben, reageert Hij ontkennend, maar vult aan met een vermaning die oproept tot bekering. 

We dienen zelf een voorbeeld te zijn om elkaar lief te hebben, zoals God ons liefheeft. Hier weerklinken ook de woorden die Mozes hoorde in zijn ontmoeting met God op de berg Sinaï. Het is God die onze ellende heeft gezien, die ons wil bevrijden uit het slavenhuis, die ons recht wil doen. Eenvoudig door er te zijn, door beschikbaar te zijn voor hen die het kwaad in hun leven willen keren en het goede voorrang zullen geven.

Jezus oordeelt niet, maar breekt de ban van een vloek, die zou rusten op mensen die kennelijk onschuldig overlijden aan een tragisch ongeval of door een wrede dood. Er bestaat tragiek, zonder schuldige slachtoffers, en God kan dit blijkbaar niet voorkomen. Wat we wel kunnen doen is aanvaarden dat er een Goede Boodschap is van liefde en trouw, die al door Mozes verwoord wordt. Een boodschap die God toont als Iemand die ons lijden ziet en erkent. 

Zo komen we uit bij de parabel van de onvruchtbare vijgenboom, het verrassende antwoord van Jezus op al die onmenselijke, wrede tragiek die mensen overkomt en die hen voor de opgave stelt in het zinloze een zin te ontdekken. Volgens Jezus is steeds een nieuw begin mogelijk, op voorwaarde dat je geduld hebt met jezelf. Dan breng je immers vruchten voort.

God is eigenaar van de wijngaard, van deze wereld. Jezus wil duidelijk maken dat God geduldig is en liefdevol, en het noodlot dat wij in onze ijver en ons ongeduld over ons afroepen, wil keren. Wacht nog maar eens, laat ook de tijd zijn werk doen, maar neem wel je verantwoordelijkheid intussen om de vruchtbaarheid van die vijgenboom te bevorderen. Wees dus niet passief ten aanzien van ongeluk en onrecht, zet je talenten en je gaven in, en je zult vruchten voortbrengen van gerechtigheid. Wij hebben de keuze om de wereld beter te maken, God schept een kader van morele en existentiële aard om dit mogelijk te maken. Als het ware is Hij een mantel die over ons heengeslagen is en ons beschermt, een net dat opvangt, of een pad dat doortocht biedt.

Waarom treft het kwaad goede mensen? Er zijn geen pasklare antwoorden op te geven. Wel kunnen we deze vraag, met een knipoog naar de parabel van de vijgenboom, helpen beantwoorden met een beroep op onze eigen verantwoordelijkheid: ‘draagt ons leven vrucht’, of: draagt óns leven vrucht?’ 

Vasten in evangelische zin betekent de woestijn ingaan. Dat betekent de confrontatie aangaan met de leegte en de onvruchtbaarheid in je eigen bestaan, om zo te beseffen wat je eigenlijk nodig hebt. Als je dat beseft, ga je ook aanvoelen wat je anderen niet mag onthouden.

Staan wij stil bij het lijden in de wereld zonder ons af te vragen of we ons leven nu goed besteden, dan is het evenwicht weg. Als vasten betekent: bewuster en met meer aandacht leven, dan is de Vastentijd een tijd om opnieuw te leren leven en dat leven te eren. Een oude rabbijnse spreuk luidt: ‘Iedere mens moet God rekenschap geven van alle goede dingen die hij in het leven kreeg, maar waarvan hij niet genoten heeft’.Ook als we ouder worden is er nog veel te doen. Niet door om te zien in teleurstelling, verdriet of bitterheid, maar door anders te kijken naar jezelf: namelijk door het oog van de liefde. Om dan te zien wat is gelukt in ons leven, wie wij hebben getroost, bemoedigd en liefgehad, wat wij aan offers brachten opdat anderen het beter kregen. En vooral door nu geduld te hebben met onszelf en elkaar, vergevensgezind te zijn en vooral: proactief te wachten op, en uit te zien naar nieuwe vruchten van dat Koninkrijk. Amen.