Overweging van Hans Siemerink.

Gen. 18, 20-32, en Lucas 11, 1-13.

U kent het verhaal. Nu ja, verhaal. Centraal staat vandaag niet zozeer een verhaal, maar het gebed, of beter: “bidden”. En dan toch vooral het smekend bidden, het vragen. Heel veel jaren geleden ondertussen heb ik een proefschrift geschreven over het gebed, Of, iets preciezer: over de vorming tot het gebed. En heb toen  zes vormen of soorten van gebed onderscheiden: de klacht, de aanklacht, het smeken, het dankgebed, het gebed van aanbidding en de lofprijzing. Met alle zes vormen van het gebed heb ik best wel enige affiniteit, maar met het smeekgebed eigenlijk het minste. Toen niet. Maar op t’ ogenblik wellicht iets meer! Maar het blijft bij mij schuren. En vandaag gaat het toch vooral om het vraaggebed.

U kent allen wellicht het begrip ‘magie’  In het magisch handelen van de mens tracht hij God, of de goden, naar zijn hand te zetten. Tot iets te dwingen. Te manipuleren. “Als u mijn gebed verhoort, zal ik daar iets tegenover stellen”. Maar als u mijn gebed niet verhoort…. Dan zwaait er wat. En het is duidelijk dat het vraaggebed het gevaar loopt God te willen dwingen. Maar dat is natuurlijk niet per se de enig noodzakelijke vorm.

Aan elke vorm van gebed ligt een bepaalde emotie of ervaring ten grondslag. Uiteindelijk  dezelfde soort emoties of ervaringen die ook in het handelen tussen mensen een rol spelen. Het zal ons wellicht niet vaak overkomen , maar het kán ons overkomen dat we bij een overweldigende natuurervaring  zodanig in vervoering raken, zo ontzettend enthousiast worden, dat we als het ware in de modus van de aanbidding geraken. En dat niet per se in de relatie tot God, maar niettemin kunnen we ons zelf dan ervaren als ‘in aanbidding voor de natuur’. Veel vanzelfsprekender is de emotie van de dank te herkennen in het tussenmenselijk handelen. We ervaren zaken als ons gegeven door de andere, door anderen. Als we proberen na te speuren wat de emotie is die aan het vragen ten grondslag ligt, dan komen we eigenlijk hele mooie dingen op het spoor.  Vanuit een kritisch buitenstaandersperspectief zou men wellicht kunnen denken  dat het smeekgebed op het niveau van de vergelijking met het tussenmenselijk handelen, te vergelijken is met de directe, concrete vraag om hulp, medewerking, tegemoetkoming. “Zou je dit of dat voor mij willen doen, want ik kan het niet”. Geoorloofd, toegestaan handelen, stel je voor. Dat je een ander niet om iets zou mogen vragen. Maar in het tussenmenselijk verkeer, in de relaties tussen mensen, is er veel meer dan het alleen maar vragen om concrete, praktische hulp of medewerking. In het tussenmenselijk verkeer, als ik te maken heb met iemand die mij dierbaar is, om wie ik heel veel geef, iemand die ongemeen belangrijk voor mij is, dan kan het me overkomen dat ik me in mijn hulpeloosheid overgeef aan die ander. “Alsjeblieft, ik kan het niet alleen; je moet me helpen, je moet me bijstaan”. Beide partners voelen aan dat het hier allerminst om concrete en praktische hulp gaat. Het gaat om bijstand .  Het gaat om een vraag om aandacht. Het is geen vraag om het overnemen van mijn verantwoordelijkheid, het is geen vraag om in plaats van mij of namens mij te handelen. In dit soort vragen gaat het om het uiten van een verlangen. En zo is ook het ideale smeekgebed ten overstaan van God.

Veel mensen steken nog wel eens een kaars op. Ook zij die van zich zelf zeggen niet of nauwelijks te bidden, steken niettemin toch vaak een kaars op… Om wat voor soort handelen gaat het dan?  De handeling heeft bijna altijd een minstens onbewuste religieuze setting. Het gaat om het uitdrukking geven van een behoefte, van een  nood, van een verlangen. Er naar gevraagd, zouden de meeste kaarsopstekers zich verbazen, wanneer een belangstellende toeschouwer  de kaarsopsteker zou toeschrijven dat deze een magische intentie zou hebben bij het kaarsopsteken…….! De kaarsopsteker zou zich in deze toeschrijving allerminst herkennen.   Het is bijna altijd veel basaler: uitdrukking geven aan behoeftigheid, ik weet niet goed hoe het anders onder woorden te brengen; uitdrukking geven aan een verlangen.

Tegen deze achtergrond wil ik proberen de evangelielezing van vandaag te verstaan. En dan stuit ik wel op problemen. Ik kom daar op terug. De evangelielezing valt in twee delen uiteen: Allereerst het Onze Vader. Een gebed dat Jezus zijn leerlingen voorhoudt als zij Hem vragen hen te leren bidden. En een tweede gedeelte, waarin Jezus ingaat op het handelen van een goede vriend, wanneer deze laatste op een buitengewoon ongelukkig moment wordt gevraagd zijn vriend te hulp te schieten. Deze vriend die wordt lastig gevallen wordt door Jezus vergeleken met zijn Vader, die zijn mensen uiteindelijk, ook al moet er soms worden aangedrongen, te hulp zal komen.

In het licht wat ik hier vooraf heb gezegd over het smeekgebed, word ik door Jezus’ gebed, het Onze vader, en door de vergelijkingen die hij daarna maakt over het te hulp schieten van de ander, op het verkeerde been gezet. Als je maar aanhoudt in je vragen, ook al lukt het niet meteen,maar  je blijft op deuren bonken, dan zal ook de goede God je gebed verhoren. “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Hoe moet ik dat verstaan als er dag in, dag uit, miljarden mensen niet voldoende te eten hebben. Als ik de bede in al zijn letterlijkheid neem, dan kom ik er niet uit. Nu zou u kunnen zeggen dat het een beetje flauw is om een dergelijke bede letterlijk te nemen. Maar de tekst van het evangelie nodigt me wel heel uitdrukkelijk uit: om te blijven aandringen, aan de deur te blijven kloppen, steeds opnieuw te blijven vragen, en er dan van overtuigd te mogen zijn dat mijn gebed zal worden verhoord. Onze dagelijkse ervaring is hiermee in strijd. Toch!

Nu zijn de evangelien geschreven in een volstrekt andere  tijd dan de onze. Wij zijn moderne mensen die door de Verlichting zijn heengegaan en voor wie gebedsverhoringen en wonderen allerminst nog vanzelfsprekend zijn. Maar niettemin zijn er onder ons die zich door de boodschap van het evangelie aangesproken blijven voelen. Velen van ons leven in een spagaat. We nemen onze rationaliteit en moderniteit serieus en tegelijkertijd nemen we ook ons religieus ervaren serieus. En dat krijgen we vaak niet bij elkaar. Maar we weigeren de ene kant aan de andere op te offeren: ons religieus ervaren niet aan onze rationaliteit, en onze rationaliteit niet aan ons religieus ervaren. We willen noch een botte rationalist zijn,noch een wereldvreemde religieuze en gelovige diehard. Wat nu?!

Het is niet mogelijk om het evangelie van vandaag in zijn pure letterlijkheid te verstaan. Maar niettemin kan het ons overkomen, vaak niet, maar toch wel een enkele keer, tijdens een mooie viering, naar aanleiding van een goed gesprek, tijdens een overweldigende natuurervaring, kan het ons overkomen dat we ‘ons verhoord weten’. Ik weet nu niet wat ik precies zeg, maar het kan ons overkomen dat we ons verhoord weten. Wegdrijven in een ervaring van vertrouwen en overgave. “Ons gebed is verhoord” , maar we weten vaak niet wat ons gebed nu precies was…. We geloven in een goede en barmhartige God, een God die niemand ons afpakt, en in het licht van een dergelijk geloof herkennen we de Vader zoals deze in het evangelie van vandaag wordt opgeroepen. “Als gij dus, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen”…  

Amen.