Overweging van Hans Hamers o.p.

Wijsheid 4, 7-15; Johannes 11, 17-27

Gisteren was het 2 november, Allerzielen. Als onze gedachten dan uitgaan naar de overleden dierbaren, dan willen we ook iets doen. We gaan naar het kerkhof, om het graf van een overledene netjes te maken, of zijn bij een zegening op het kerkhof, of een Allerzielenviering. Het ligt in onze aard / natuur verborgen om te zoeken naar manieren om met onze overleden dierbaren om te gaan. Rituelen helpen daarbij, kerkelijke rituelen of gewone even waardevolle spontaan ontstane thuisrituelen.

Met deze rituelen komen ook het sterven en de dood zelf in beeld. De dood. En als we er eens goed bij stilstaan niet te begrijpen is. Als levende mensen is sterven en dood wezensvreemd. De dood is als een geheimenis, als een mysterie. Zo zou je het kunnen zien. En de omgang daarmee is niet voor de hand liggend, complex en verwarrend. Een voorbeeld van omgaan met de naderende dood zag ik ongeveer 5 jaar geleden op TV toen René Gude, filosoof des vaderlands, bij DWDD eigenlijk, zo heb ik het ervaren, één grote schreeuw liet horen, omdat hij met zijn eigen naderende dood niet mee uit de voeten kon. Als filosoof had ie natuurlijk sterke taal voorhanden: “de dood in de bek kijken”, alom gewaardeerd door MvN en het publiek als een moedige manier om met de naderende dood om te gaan. Ik hoorde vooral een schreeuw om zin en betekenis. De grote vraag blijft, hoe sterven en dood zijn in te passen in het eigen bestaan?

Zeggen de schriftteksten van vandaag ons ons iets hierover? De tekst uit het boek Wijsheid heb ik toch echt met enige verbazing gelezen. Wordt daar niet gezegd dat de dood, als God de rechtvaardige tot zich neemt, deze rechtvaardige behoedt wordt van het rechte pad af te wijken en zonden te begaan? Het wordt zelfs gekwalificeerd met de woorden genade en barmhartigheid. Overigens, genade en barmhartigheid door de dood zijn beter voorstelbaar als het gaat om verlossing van het lijden voorafgaand aan de dood. De nadruk wordt in de Wijsheid-tekst gelegd op het leven zelf, de levenswandel is belangrijker dan het aantal jaren. Sterven en dood worden als een integraal sluitstuk voorgesteld van een in zichzelf zinrijk bestaan. Maar helpt het mij nu? Eigenlijk niet zo.

Dan het verhaal van de opwekking van Lazarus. Het eerste belangrijke moment in deze evangelielezing is het gelóóf van Marta dat Jezus nog aan God dingen kan vragen, en God zal luisteren. Het tweede moment is de slotdialoog tussen Marta en Jezus. Daarin komt naar voren dat de opstanding nú actueel wordt, itt opstanding op de laatste dag. Jezus zegt met “`Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft mag dan wel sterven, toch zal hij leven en iedereen die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.” dat het gaat om het actuele geloof nú in concrete mens Jezus. “Geloof je dat” vraagt hij aan Marta. Het sterven en opstanding (“toch zal hij leven”) worden voor de gelovige Marta zo onverbrekelijk verbonden met elkaar, en met dus met het leven zelf en de zin en betekenis daarvan. Dus ook met de dood want daar staat nu concreet de opstanding tegenover. 

Helpt ons dit alles nu in onze omgang met en dood van onszelf en dierbaren sterven (denk aan René Gude uit de DWDD)? De Wijsheid-tekst spreekt over de rechtvaardige. Maar wie is rechtvaardig? Ik, u, overleden dierbaren? Wij kunnen dat niet zeggen. Johannes daarentegen legt met de dialoog tussen Jezus en Marta de bal bij onszelf, namelijk dat de opstanding nu actueel wordt door concreet geloof. In het verhaal wordt dat onderstreept door de ongelofelijke gebeurtenis dat Lazarus ook écht dan uit de dood opstaat. Die realisatie is mogelijk door het concrete geloof in Jezus zelf, voor Marta toen en voor ons nu in de Verrezen Christus van na het Paasmysterie.

En nu weer even met de benen op de grond! De rauwe werkelijkheid van ziekte, sterven (“de dood in de bek kijken”), wanhoop, angst, radeloosheid en veel en eindeloos verdriet, is hiermee niet van de baan. Maar toch, als wij ons keer op keer voeden met deze woorden uit de Schrift, en voeden met het heilig brood waarmee Hij tot ons komt in droefheid en vreugde, als we ons dat keer op keer proberen voor te stellen, geholpen door de woorden uit de Apokalyps: “Hij zal onze tranen wissen, en de dood zal niet meer bestaan; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij.”  Mogen we zodoende reiken naar het thuiskomen bij God. 

Moge ons dat tot troost zijn.