Overweging van Hans Hamers o.p.

Lezingen: Romeinen 8, 31b-35. 37-39 en Lucas 24, 13-35  

ALLERZIELEN VIERING.

Vandaag, ter gelegenheid van Allerzielen, gedenken we onze dierbaren, die overleden zijn. We zijn na die overlijdensgebeurtenis in een situatie van ‘gescheiden zijn’ geraakt, met iemand waarmee we ons intens verbonden weten. Zó verbonden, dat je kunt zeggen dat die ander, waar je zoveel van hebt gehouden, ook jouzelf heeft mee-gevormd. Dat ‘gescheiden zijn’, zo vertelde laatst mij een parochiaan, voelt als een amputatie. Je bent een deel van jezelf kwijt, een deel dat wezenlijk bij jou hoort. Dit geldt overigens niet alleen voor geliefden die we verliezen, maar ook voor bijvoorbeeld als je moet vluchten, gescheiden worden van je eigen geboortegrond, of van een toekomst, of een geschiedenis. Ook die zaken bepalen mee wie je bent.

Ho, ho, denkt u nu, en God dan? Daar zegt Paulus in de brief aan de christenen van Rome heel duidelijk over, in de laatste zinnen van de eerste lezing: Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch machten, noch wat is noch wat komt, geen macht in den hoge of in de diepte, noch enig ander schepsel, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die in Christus Jezus onze Heer is. Volgens Paulus valt God buiten het genoemde schema van geboorte, vorming en wording tot een hele mens, en tenslotte dood. Nee, God is er voor en erna, zoals we bidden: God, u bent de alfa en de omega. Gods liefde zal altijd met ons zijn. Zegt Paulus. Niet door te snijden, mens en God onscheidbaar. 

Daar valt wel wat op af te dingen, hoor ik u denken. Hoezo de liefde van God, ik merk er niets (meer) van! En mijn geliefde is dood. Zo is het natuurlijk óók. Het is worstelen met het gemis, en steun en kracht proberen te vinden om weer héél mens te worden, mét die amputatie die er altijd zal zijn. Dat rouwen heeft zijn tijd nodig. En men zoekt troost. Vaak worden in dit verband psalmen aangehaald. Tussen de lezingen hebben we psalm 103 gezongen, met daarin die smekende woorden gericht aan God: Wij willen u zien, geef ons vandaag een teken van uw liefde. En ‘wat de hemel is voor de aarde, dat is uw liefde voor hen die geloven’. Geloven, dat is dus wat wij zelf moeten doen (kun je dat zo zeggen? Of anders gezegd: openstaan voor de genade van het geloof). Paulus veronderstelt dat ook mbt die onscheidbaarheid. 

Ook de bekende Psalm 139 wordt veel aangehaald als troost. De gelovige bidt daar, in de woorden uit de vertaling van Huub Oosterhuis: Gij, Gij peilt mijn hart, Gij doorgrondt mij. Gij weet mijn gaan en mijn staan. / Gij kent mijn gedachten van verre, mijn reizen en trekken, mijn rusten. …/  In deze psalm wordt het weten uitgedrukt dat God altijd nabij is, maar helemaal zeker is dat ook weer niet, want het eindigt met de Ik ben toch niet op een doodlopende weg? Leid mij voort op de weg van uw dagen. Toch geen 100% zekerheid, geen 100% geloof, maar wel woorden van overgave. Voor de gelovige christen is dit troostrijk, maar wat als je niet gelooft!? Als het geloof nog slechts een vaag herinnerd gevoel is van weleer? Wel willen geloven maar niet (meer) kunnen!

Dat is min of meer de situatie waar de Kleopas en zijn vriend mee worstelen, in het evangelie van de Emmaüsgangers. Het geloof dat Jezus redding zou brengen voor Israël, is volledig weggevaagd. Dat was hun toekomst, hun geloof is compleet de bodem ingeslagen. Ze vluchten uit Jeruzalem. Maar toch komen zij weer tot geloof. Dat ging niet zomaar. Heel de schrift van Mozes tot de Profeten wordt hen uitgelegd door die onverwachte reisgenoot, en zelfs als de toevallige medereiziger spreekt hoe traag ze van begrip zijn over geloof en wat er door de profeten is gezegd., gaat er nog geen lichtje branden bij Kleopas en zijn vriend. Op zich wel opmerkelijk als we ons die situatie voorstellen. Pas bij het breken van het brood, gaan hun ogen open en beginnen ze te begrijpen wat er onderweg gebeurd is. Wij zien nu in dat teken van het breken van het brood een eucharistische betekenis. De verrezen Christus komt dan tot ons. Dat is het kernmoment in het evangelieverhaal. Het is ook het kernmoment in onze viering van danken en delen en breken van brood. Het herinnert ons aan de nabijheid van God, en vooral bij de radelozen, de hopelozen, de bedroefden. De liefdevolle nabijheid en betrokkenheid van God, waarvan Paulus zegt dat die niet door snijden is. Maar, zo mag je je afvragen, is dat ook zo als het vlammetje van het geloof gedoofd is of bijna helemaal uit? Bij veel mensen is dat het geval en ervaringen zoals van de Emmaüs-gangers komen deze dagen niet veel meer voor. Daarom noemde ik die Psalm 139 die door Huub Oosterhuis vertaald is. Ooit is deze door hem voorzien van aantekeningen die met enige aanpassing de tekst is geworden van het lied ‘Ken je mij’, door Oosterhuis’ dochter Trijntje gezongen. In dat lied, gericht aan …. de grote geliefde, God? de dierbaren waarvan we gescheiden zijn. Daarom noem ik het hier omdat dit lied die o zo vurig verlangde onscheidbaarheid van de grote geliefde of God bezingt, maar ook de twijfel, in de laatste woorden:

KEN JE MIJ? WIE KEN JE DAN?

WEET JIJ MIJ BETER DAN IK?

HIER IS DE PLEK WAAR IK WOON

HEB JE GEROEPEN? HIER BEN IK

BEN JIJ DE ENIGE VOOR WIENS OGEN

NIET IS VERBORGEN VAN MIJN NAAKTHEID

KAN JIJ HET HEBBEN,

ALS NIEMAND ANDERS,

DAT IK GEEN LICHT GEEF, NIET WARM BEN,

DAT IK NIET MOOI BEN, NIET VEEL

DAT GEEN BRON ONTSPRINGT

IN MIJN DIEPTE

DAT IK ALLEEN DIT GEZICHT HEB,

GEEN ANDER.

BEN IK DOOR JOU, ZONDER SCHAAMTE,

GEZIEN, GENOMEN,

DOOR NIEMAND MINDER?

ZOU DAT NIET VEEL TEVEEL WAAR ZIJN

ZOU DAT NIET VEEL TEVEEL WAAR ZIJN?

Dat het zo moge zijn!