Overweging van Peter Nissen.

Lezingen: Jesaja 40,1-11 en Marcus 1,1-8, (Willibrordvertaling)

Thema: ‘Vol verwachting klopt ons hart.’

Misschien hebt u het de afgelopen weken ook regelmatig gezongen, misschien gisteravond nog wel. Het is allemaal een beetje anders door de pandemie, maar Sinterklaas heeft ons toch wel beziggehouden.

Vol verwachting klopt ons hart. Misschien zegt u dan ook wel over hoe het verder zal gaan met de coronamaatregelen. Zullen er de komende week weer nieuwe richtlijnen bij komen of zullen de regels juist soepeler worden? Wordt het nog ooit weer normaal? Wanneer mogen wij elkaar weer een hand geven, wanneer weer omhelzen, wanneer weer zoenen?

In de Bijbellezingen van deze tweede zondag van de advent komen twee mensen van verwachting aan het woord: de profeet Jesaja en Johannes de Doper. Het profetenboek van Jesaja is niet zomaar het boek van één profeet. Het bestaat uit minstens drie delen – het tweede deel, Deutero-Jesaja genoemd, begint precies bij de passage die we vandaag gelezen hebben - en zelfs die drie delen zijn niet het werk van slechts drie profeten, maar van profetenscholen. Er klinkt dus een veelheid van stemmen in dat boek, een veelheid van geluiden, en dat maakt het ook zo’n spannend boek. Allerlei mensen komen aan het woord met hun zorgen en hun verzuchtingen. Maar wat ze met elkaar gemeen hebben, is dat zij allemaal spreken over het verlangen naar een betere toekomst. ‘Zie, de heer komt. […] Als een herder zal Hij zijn kudde weiden; in zijn arm brengt Hij de lammeren samen en Hij draagt ze aan zijn borst terwijl Hij de ooien leid,’ zo hoorden we Jesaja in de eerste lezing zeggen. Jesaja is het boek van het verlangen, het verlangen naar wat komt: het toekomende, de Ene die komt. En dat maakt het boek ook zo geschikt voor deze tijd van het liturgisch jaar: de advent. Want ook dat is een tijd van verlangend uitzien naar wat komen gaat. Een tijd van verwachtingOok Johannes de Doper, beschreven in de eenvoudige aanhef van het oudste en kortste evangelie, dat volgens Marcus, is een man van verwachting, van uitzien naar. Ook hij maakt duidelijk: het gaat niet om mij, het gaat om wat na mij komt, ja, om degene die na mij komt.‘Na mij komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben te min om mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken,’ zo zegt de doper het volgens het evangelie. Het gaat om hem op wie jullie nog moeten wachten: hij is onderweg.

Over wachten gaat het dus in de advent. Wachten heeft iets spannends: we weten niet zeker of datgene waar we op hopen, ook daadwerkelijk zal komen, en vaak weten we ook niet precies wanneer het zal komen. En hoe zal het eruit zien? Is het zoals we dachten dat het zou zijn? Of is het heel anders? Gaat het tegenvallen?

Wachten heeft iets heel dubbels. Enerzijds is wachten iets hoopvols. Wachten wordt gedragen door het verlangen naar wat komende is. Maar anderzijds wordt wachten ook getekend door gemis: datgene of diegene op wie we wachten, die is er nog niet. Er ontbreekt ons nog iets: een dierbare en gewenste aanwezigheid.

De Amerikaanse theoloog John Caputo heeft eens gezegd dat wat hem betreft ‘komen’ het meest essentiële woord is in het christelijk geloof. Christenen zien uit naar een aanwezigheid die nog komende is. In de geloofstraditie zijn daar allerlei beelden voor gebruikt: de wederkomst van de Mensenzoon, het aanbreken van het koninkrijk van God. We wachten er nog op, het staat nog uit, het is er nog niet, of althans: nog niet helemaal. Misschien is God wel de ultieme komende: niet Hij die is, maar Hij die komt. Als een dief in de nacht. Wat John Caputo betreft is het dan ook het hele jaar advent.

Wachten vraagt om waakzaamheid en om ontvankelijkheid: om ‘op wacht staan’. Dat was voor dienstplichtige militairen doorgaans al niet de meest prettige bezigheid. Wij houden niet van wachten. Of vindt u het fijn wanneer een ingeblikte stem door de telefoon tegen u zegt: ‘er zijn nog tien wachtenden voor u’? Of als de rij bij de kassa’s in de supermarkt eindeloos lang lijkt te zijn? Wij beschouwen wachten vaak als verloren of verspilde tijd. 

Dat heeft te maken met het feit dat wachten ons vaak een gevoel van machteloosheid geeft. Wij hebben doorgaans geen greep op de wachttijd. Wij zijn overgeleverd aan de macht of zelfs de willekeur van anderen of van een anonieme macht. Noem het noodlot. Het leven van vluchtelingen bestaat soms eindeloos lang uit wachten: wachten op behandeling van de zaak, wachten op tijdelijke huisvesting, wachten op een verblijfsvergunning. En intussen bevindt de wachtende zich in een soort onbekend niemandsland: ergens tussen waar hij vandaan komt en waar hij hoopt thuis te komen. Wachten wordt nog meer een kwelling als wij de indruk hebben dat de ander ons opzettelijk en nodeloos laat wachten, alleen maar om ons te laten merken wie hier de baas is en om ons te doordringen van onze afhankelijkheid.

Toch vragen veel dingen in het leven om geduld. Soms moeten we wachten tot de tijd rijp is, tot het inzicht doorbreekt, tot wij ergens klaar voor zijn. Wachten kan dan verdieping aan ons leven geven: een adempauze in een hectisch bestaan. Ons wachten kan zwanger zijn van verwachting. Het is dan geen tijdverspilling meer, maar een hoopvol vooruitgrijpen op wat komt, zonder dat wij precies weten wat dat komende is.

Zoals bij Jesaja: een wereld waarin de Eeuwige zal regeren en als een herder zijn kudde zal weiden. En hij zal vooral zorg hebben voor de kleinen: de lammeren zal hij aan zijn boezem dragen. We weten allemaal dat die wereld ver weg is. Maar door er verlangend naar uit te zien brengen we die wereld toch al dichter bij. In ons verlangen breekt die wereld al aan.

Maar waar gaat ons verlangen dan naar uit? Wat verlangen wij voor onszelf en voor de wereld? Waar hopen wij op? Waar hunkeren wij naar? Waar zien wij naar uit?

Jesaja en Johannes de Doper gaven stem aan hun verlangen. Zij waren roependen in de woestijn; dat beeld gebruikt Johannes de Doper voor zichzelf en daarbij citeert hij het hoofdstuk van Jesaja dat we gelezen hebben. 

Dat beeld van de roepende in de woestijn is doorgedrongen in onze taal. We bedoelen er iemand mee naar wie niet geluisterd wordt, iemand die tevergeefs roept. Taalkundigen weten niet hoe dat beeld is ontstaan, want zowel Jesaja als Johannes de Doper werden wel gehoord. Van Johannes de Doper horen we dat zelfs nadrukkelijk: ‘Heel Judea en alle inwoners van Jeruzalem liepen naar hem uit. Ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan.’

Een roepende in de woestijn houdt het verlangen wakker. Hij kan de woestijn tot een vruchtbaar gebied maken: de steppe zal bloeien, we eindigen er straks mee. Het is dus belangrijk om stem te geven aan je verlangen, om het onder woorden te brengen. En om het te blijven koesteren, in deze adventstijd en in heel ons leven.

Daarom nodig ik u uit dadelijk in alle rust en stilte te overdenken waar uw diepste verlangen naar uitgaat: voor u zelf, voor uw dierbaren of voor de grote wereld. Nu in coronatijd of ook los daarvan. En geef het stem: vind er woorden voor, schrijf het op op het blaadje dat u op uw stoel gevonden hebt. Cécile zal uw blaadjes met verlangens straks met een coronaveilige collectezak, die nog uit de Stephanuskerk komt, ophalen. Enkele van uw verlangens zullen dan, bij wijze van voorbede, worden voorgelezen. Maar u kunt er ook voor kiezen uw verlangen voor u zelf te houden en uw briefje niet in te leveren.

Geef ruimte aan uw verlangen en geef het stem. Dan komt de Komende dichterbij, in deze adventstijd en in alle dagen van ons leven.

Moge het zo zijn.