Overweging van Wim Rigters.

Habakuk 1,2-3. 2,2-4; en Lucas 17, 5-10.

Thema: "Geef het wachten niet op".

 “Hoelang moet ik nog roepen, heer, terwijl U maar niet luistert?”

‘Versterk ons vertrouwen.’ . . . beide lezingen vandaag beginnen met een vraag.  
Habakuk trad op als profeet na 605  voor Christus, het jaar waarin de Babylonisch kroonprins en legeraanvoerder Nebudkadnessar bij Karkemis het Egyptisch leger versloeg en daarmee het begin inluidde van de Nieuw-Babylonische overheersing. Is die  overwinning voor het Joodse volk een reden tot hoop?  . . . 

In een vertaling van Peer Verhoeven klinkt Habakuks vraag wat meer van deze tijd: “Wat zou ik me nog druk maken, Heer. Ge luistert toch niet. Al dat onrecht, het gebeurt maar. De zuivere waarheid telt niet meer; het volste recht doet er niet toe. Brutale leeghoofden zijn aan het woord; de bedachtzame wijze is de mond gesnoerd. . . . Kan dit allemaal zomaar?

Om die andere vraag - van de apostelen - beter te verstaan moet je wel weten wat eraan is voorgegaan: in de voorgaande hoofdstukken heeft Jezus parabels verteld en vermaningen uitgesproken – we hebben ze de voorbije zondagen gehoord: Lazarus en de rijke man, de slimme rentmeester, de verloren zoon en zijn barmhartige vader, en daaraan vooraf: “Wie naar mij toe komt, moet zijn vaderen moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven haten, anders kan hij mijn leerling niet zijn”. Is het vreemd dat de leerlingen aarzelen: kan ik dat wel?  . . .  Heer, versterk ons vertrouwen!

“Wanhoop” is misschien een te groot woord, maar toch klinkt dat wel door in de beginregels van beide lezingen, en . . . heel eerlijk gezegd heb ik zelf soms ook even dat gevoel; “zie in duisternis uw ontelbare mensen, zie hun goede wil, hun wanhoop, onmacht, schuld. Zie allen die leven op aarde, nietig, onzeker” . . . 

Kijk toch: “waarheid telt niet meer, recht doet er niet toe, brutale leeghoofden zijn aan het woord”. Er zijn er ook nu, die de ander zien als slaaf die voor hen ploegt of het vee hoedt en zichzelf als eigenaar, bezitter van de wereld, van de schepping. Het feodale beeld dat de parabel in het evangelie schets mag dan niet van deze tijd lijken, maar is het wel degelijk . . .  “Geef mij terug de ogen van een kind; dat ik zie wat is”.

Een meisje van 16 zeilt de oceaan over van Zweden naar New York, en spreekt de VN toe: “jullie hebben mijn dromen en mijn jeugd gestolen met jullie loze woorden” - en Trump reageert: “Leuk om te zien!” en het regent snoeiharde kritiek op haar optreden. Een Leidse professor observeert, dat zij op grote schaal belachelijk wordt gemaakt door een specifieke groep mensen, vooral mannen, voor wie zij een ideaal doelwit is, zodat ze niet over klimaatverandering hoeven na te denken en lekker 130 kunnen blijven rijden zonder schuldgevoel. Feit is dat dit meisje van 16 miljoenen op de been krijgt en bewust maakt dat het anders moet.

Het is zo makkelijk idealisme de grond in te boren met: dat is niet realistisch; - dat is dat van die moerbeiboom ook niet. . .  maar wat dan?

“Schrijf het visioen op, zet het duidelijk op schrift, zodat men het vlot kan lezen. Want het visioen,  al wacht het zijn toegewezen tijd nog af, smacht naar zijn vervulling: het vertelt geen leugen. Al blijft het uit, geef het wachten niet op, want komen doet het beslist en het komt niet te laat.” – Gods antwoord volgens Habakuk.

“We moeten leren om te hopen” daarmee opende Eva Meijer dinsdag haar column in Trouw. Ze geeft daarin weer de gedachten van de Filosoof Ernst Bloch: “we zijn als mensen onaf, en de wereld om ons heen is dat ook. Daarom ervaren we een gemis, maar het betekent ook dat we nieuwe dingen mogelijk kunnen maken. Ons onderbewustzijn is in dit proces een creatieve bron, waarmee we een mogelijke betere toekomst kunnen fantaseren. Door nieuwe werelden te dromen, kunnen we het handelen richting geven. Dat serieus nemen, zoals sommige denkers, schrijvers, politici en ook activisten doen, is een manier om te leren hopen.” – aldus Bloch. Om de aarde te kunnen redden, en vooral om een nieuwe koers te kunnen kiezen, hebben we hoop nodig. Maar als het om veranderen gaat krijgt hoop te maken met angst, die mensen doet bevriezen. Hoop kan mensen optillen, uit hun verstarring bevrijden. Het maakt mensen groot in plaats van ze klein te houden. Maar echt  hopen is niet makkelijk. Het vraagt namelijk dat je je in die steeds maar veranderende, niet-affe wereld gooit, terwijl je nooit van te voren kan weten hoe dat afloopt. Maar je moet wel, want je behoort tot die wereld, en het kan beter worden.

“Geef het wachten niet op!” . . . .

Maar ook: “We hebben gedaan wat we moesten doen”. . . .

Met oude woorden bid ik:

Eeuwige, geef mij de kracht 

om te veranderen wat ik kan  veranderen.

Geef mij geduld om me neer te leggen 

bij wat ik niet kan veranderen.

En geef me vooral veel wijsheid

om die twee niet door elkaar te halen.

Amen