Overweging van Kees Scheffers.

Jesaja 43, 16-21, en Johannes 7, 53+ 8, 1-11.

Thema: "Maak ons vrij".

"Herschep  ons hart, heradem ons verstand,

opdat wij vrije mensen mogen worden."

Zo zou ik het thema van vandaag willen samenvatten.

Herschep ons hart, heradem ons verstand, opdat we vrije mensen worden. Ik begin hier mee, omdat ik vandaag naar Jezus kijkend een grote vrijheid zie. En volgens mij horen geloven en innerlijk vrij-zijn bij elkaar. Er is de uitdrukking, 'de vrijheid van de kinderen Gods'.     Francoise vond het maar een oudbakken uitdrukking. 

Bedoeld is natuurlijk dat wij,  als gelovigen,  vrije mensen zijn, of zouden moeten zijn, en vrijmoedig ook naar anderen. 

Jezus was zo’n vrije mens.

Ik herinner me nog hoe Nelson Mandela uit de gevangenis kwam, hoe hij was, als vrije mens. Het maakte diepe indruk hoe hij daar liep met zijn vrouw. Later zou hij niet uit vergelding handelen, maar juist vanuit verzoening.

En u , u hebt uw eigen ervaringen van vrij zijn. Misschien toen je op kamers ging, toen de muur viel, of welke muur dan ook.  Misschien ook toen je een ander echt kon opbiechten wat er was gebeurd.

Of toen je het voortbestaan van je huwelijk ter sprake durfde te brengen en merkte hoe dat hielp.  Of de dag dat je uit de kast kwam, toen je iemand durfde te  vertellen over je geaardheid.  Soms heeft zoiets jaren gekost, maar dan eindelijk . . . voel je je vrij en durf je te spreken. Het besef, kind van God te zijn, kan je veel moed geven.  

In het evangelie van vandaag hebben we vier spelers of spelersgroepen.

1. Het volk, dat naar Jezus toe kwam,

2. Jezus zelf , 

  1. de vrouw en
  2. ten vierde: de groep Schriftgeleerden en Farizeeën. 

Als we naar Jezus kijken, dan zien we een mens die echt vrij is, vrij ook tegenover de Schriftgeleerden en Farizeeën. Hij raakt niet onder de indruk van hun optreden en blijft gewoon zitten.

En als het dan gaat over de Schriftgeleerden en Farizeeën:  zij zijn 

in zijn geheel nietvrij, ze zitten gevangen in oordelen en vooroor-delen en zogenaamde wetten, ze zijn onvrij om nog iets anders te zien.

Ze vinden de vrouw in bed met een ander. Niets horen we over de man, die misschien méėr schuldig was, die haar misschien verkrachtte, tegenover wie ze weerloos was.

Of was er juist wederkerigheid en passie en een alles overtreffende liefde? De Schriftgeleerden zien alleen maar het negatieve.

Ze weten het zo goed voor een ander, maar kunnen ze ook vrij en open kijken naar wat hen zelfbeweegt. Is het misschien zo dat ze er naar uit kijken deze vrouw te kunnen stenigen, om haar angsten te zien om haar op deze manier te kunnen domineren, wilden ze, in het geheim, misschien zelf wel het bed met haar delen ?

Naar buiten toe zijn ze zozeer  door hun regels en zogenaamde wetten bezeten, gevangen,  dat ze Jezus, die opruier, die vrije mens, een lesje willen leren.

En dan de vrouw, die is ook nietvrij en dat kunnen we ons maar al te goed voorstellen.

Ja, stelt u zich eens voor dat u daar staat: Ik kan geen kant op, ik kan niet weg, ik krijg geen adem meer, ik zou wel door de grond willen zakken.

Angstig ben ik . . . . .  voor de dood. Ik hoor iets over stenen.

Het wordt zwart als de nacht. Het klamme zweet doordrengt mijn kleren. Ik wordt veroordeeld alsof ik een ding ben, niemand.

Angst om dood te gaan, durf ik dat onder ogen te zien? Val ik dan met lege handen in het niets?  Doodsangst.   Het hoort bij mens-zijn, iederéén kent die angst. Maar soms kan het zo sterk worden,  dat het alles overheerst, dat het je leven verpest, een opgejaagd gevoel.

Dan is het tijd om met die angst iets te doen, om hulp te zoeken,

Want ik ben toch niet gedoemd om rond te dolen, nergens, niemand te zijn ?

Nee,     dat ben ik niet , er is een woord, dat eeuwiglijk zal duren. En veel méér nog:  er zijn mensen, die naast mij komen staan, 

die mij aanraken, letterlijk, maar ook figuurlijk, juist waar ik mij gewond voel. Ze luisteren . . . . . . en er zijn er die zingen: 

Ik ga iets nieuws beginnen, Zie je het niet ?

Ze zingen van een visioen,   hoe wij mogen zijn.  Zijn zoals we bedoeld zijn.  Heelheid voelen die geneest .

Nu ga ik ervaren wat Jesaja schreef:  het is niet alleen maar woorden, er is een wegdoor de doodsangst, een wegdoor de steppe, rivieren stromen door de woestijn. Psalm 126, de psalm van deze zondag zingt: wie zaait in droefheid, zal oogsten in vreugde.

Terug naar Jezus, de enige die echt vrij is, Hij zit er en zwijgt. Hij staat niet op voor de Schriftgeleerden en Farizeeën. In tegendeel, hij begint in het zand te schrijven. Hij is de persoon die in het tableau de laagste is, de kleinste. Maar hij stelt wel een krachtige vraag. 

Een uitweg uit de oordelen en wetten:   "Wie van u zonder zonden is moet de eerste staan dan maar werpen". 

Dat tilt de sluier van angst op bij deze vrouw. 

Ze kan door haar doodsangst heen komen.

Nu is het voorbij. Heb vertrouwen, er is een pad door de woestijn.

Zie je het niet?

Jezus staat dan op en zo geeft hij haar   haar waardigheid   terug.

Opstaan, misstaat niemand.

Opstaan, wie denkt er al aan Pasen: opstaan, opstanding, opstandig.

Elk jaar vieren we het, Goede Vrijdag, Pasen, om telkens een laagje dieper te gaan,   van angst . . . . naar …. vertrouwen, naar overgave. 

Om telkens weer méér vrij te worden. Een stukje méér vrije Christen te worden.

Jezus zegt: ga heen en zondig niet meer. Zo geeft hij haar haar vrijheid terug, haar leven, haar toekomst. 

Tot slot  is nog die vierde speler in ons verhaal, het volk.

De toeschouwers, eigenlijk gaat het dan over ons. 

Wij hebben iets als een visioen gezien,  over hoe wij mogen zijn, namelijk, vanuit geloof leven in de vrijheid van de kinderen Gods. 

Wat gaan wij  doen   met die vrijheid die we hebben ervaren, en met dat we zijn aangeraakt door het verhaal ?

Kunnen wij met anderen, die wij deze week ontmoeten, delen wat ons vandaag geraakt heeft ??

Zijn we dus een beetje als het volk in de eerste lezing, dat Gods lof zingt ?

En kunnen ook wij niet zwijgen over waarom we juist als christenen, als kinderen van God, zo echt vrij mogen zijn? 

We gaan verder, maar we gaan niet alleen.