Overweging van Willem Pelser.

Jes. 66, 10-14c; Luc. 10, 1-12.17-20

Thema: Jezus zet de route uit.

Jesaja en Lucas, een profeet en een evangelist. Beiden hebben Jezus niet gekend: de eerste leefde ruim 500 jaar vóór Christus tijdens de Babylonische ballingschap. De ander schreef zijn evangelie zo'n 85 jaar na Christus. Toch schreven beiden over het Rijk Gods, hoewel dat – zeker in de eerste lezing van vandaag - niet zo heel duidelijk is.

Het beeld van  een kind aan de moederborst raakt waarschijnlijk bij ieder van ons wel aan een diep verlangen naar veiligheid, warmte en liefde. Toch gaat dat in tegen de wereld van volwassenen: zelfstandigheid, actief en creatief. Die tijd van de moederborst hebben we allang achter ons gelaten.

Misschien is het goed te weten in welke context deze verzen van Jesaja staan. De meeste uitleggers zijn het erover eens, dat Jesaja 66, 6-16 één geheel vormt. Daarbij zijn dan de verzen 6 aan de voorkant en 15 en 16 aan de achterkant een soort omlijsting van het middengedeelte, de tekst die we in de eerste lezing hoorden. De moeder troost en laaft haar kind aan haar borst. De omlijstende verzen ( 6 en 15-16) zijn helemaal niet zo troostrijk. Daar wordt geschetst hoe de Eeuwige zich op aarde vertoont om met zijn vijanden af te rekenen. Veel tumult, vuur en geweld. Je bent geneigd daarvoor weg te kruipen. En dat is nu juist de mogelijkheid die dat beeld van de zogende moeder je biedt. Veilige armen. Rust. Dat zet het een en het ander wel in een iets ander perspectief. De zogende moeder wil niet oproepen tot passiviteit en onzelfstandigheid, maar veiligheid en rust bieden in een beangstigende en dramatische situatie.

Juist tegen deze kwetsbare en gekwetste mensen zegt de profeet: er komt een einde aan deze toestand.

Mensen die het geloof misbruiken om anderen te knechten en te vernederen, krijgen uiteindelijk hun trekken thuis. “Zij deden wat kwaad is in mijn ogen en gaven de voorkeur aan wat mij mishaagt”. Zo staat er bij Jesaja in vers 12 van dit hoofdstuk. Maar voor jullie zijn rust en vrede weggelegd, in Jeruzalem, de stad van vrede, zoals we zonet zongen. Praten we dan eigenlijk niet over het Rijk Gods???

In de tweede lezing gebruikt Lucas de term “het Rijk Gods” wel, zij het dat het er nog niet is, maar wel nabij.

Lucas werkt graag met getallen. In Lucas 9 zendt Jezus de Twaalf –  dus heel Israël, de twaalf stammen – uit om het koninkrijk van God te verkondigen en zieken te genezen. Jezus zegt daarmee dat zijn boodschap aanvankelijk alleen bedoeld is voor het volk Israël. Maar de verkondiging van het evangelie is geen exclusieve taak voor de apostelen alleen. Toen niet en nu nog steeds niet. Wat dat betreft is het bemoedigend dat we in Gods kerk met velen zijn die, ieder vanuit zijn specifieke plaats en kwaliteiten, zwoegen voor het evangelie.

Eigenlijk is het evangelie van vandaag een vervolg op het evangelie van vorige week, waarin Jezus zijn leerlingen vroeg Hem te volgen, radicaal, zonder naar het verleden om te kijken. Na de zending van de Twaalf stuurt Hij vandaag zeventig leerlingen op pad, een getal van de volheid. Ook als het tweeënzeventig moet zijn, is dat zo: tweeënzeventig, zes maal twaalf, wijst op een groep die vele malen groter is dan alleen Israël. Het gaat dan om de gehele wereld. Lucas wil met dit verhaal juist zeggen dat het evangelie vanaf nu niet meer alleen voor de Joden bestemd is, maar voor de hele wereld. De “heiden-christenen” horen er net zo goed bij als de joden-christenen. En ook wij horen bij die 'hele wereld'. Ook wij hebben de taak om het woord van Jezus te verkondigen. Wij moeten ons aansluiten bij die tweeënzeventig leerlingen op weg naar Jeruzalem, het Rijk Gods en daarover vertellen, over de vrede, gerechtigheid en welzijn, de boodschap die Jezus de leerlingen en ons voorhoudt.

Daarmee is wel de omvang van de taak geschetst. De tweeënzeventig worden letterlijk vooruit gestuurd naar de dorpen waar Jezus op weg naar Jeruzalem langs wil komen. Jeruzalem, zijn uiteindelijke doel.

Zij worden twee aan twee weggestuurd, omdat alleen een getuigenis van twee kracht heeft volgens Deuteronomium. En “Het is niet goed dat de mens alleen is”, zei de Eeuwige toen Hij de eerste mens maakte. Wij mensen kunnen elkaar ondersteunen en bijsturen, elkaar hoop geven en troosten. Dat geldt voor ons dagelijks leven, maar zeker niet minder voor ons geloof. We hebben elkaar, we hebben de Stefanusgemeenschap, onze Effatagemeenschap, gewoon hard nodig. Want met elkaar redden we het.

“Ik zend u als lammeren onder de wolven”. Neem geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel en groet niemand onderweg.” Zo zegt Jezus als Hij zijn leerlingen wegzendt. 

Ga er maar aan staan. Als armen en berooiden en kwetsbaar worden ze op pad gestuurd. “Groet onderweg niemand”. Het uitgebreide begroetingsceremonieel zou maar onnodig ophouden. De boodschap die de kwartiermakers van de Heer te verkondigen hebben is vrede en welzijn over te brengen. “Vrede voor dit huis”, vrede en alle goeds voor alle mensen die in dit huis wonen. Ze krijgen de opdracht zieken te genezen die daar zijn en hen aan te kondigen dat het Rijk Gods nabij is. Hoevaak hebben zij het stof van hun voeten moeten kloppen als teken dat ze afgewezen werden? Hoe vaak moeten wij ons niet verdedigen tegen diegenen die ons afwijzen als wij spreken over ons geloof in de Eeuwige, zijn Zoon en de Geest. Lariekoek, hoor je dan.

Maar de leerlingen zien dat hun reis effect heeft. Ze slagen er tot hun eigen verbazing zieken te genezen en demonen uit te drijven. “Zij keerden vol blijdschap terug en zeiden: “Zelfs de duivels onderwerpen zich aan ons door uw naam.”

Als we de profeten- en de evangelielezing naast elkaar zetten, komt er toch een gemeenschappelijk thema naar boven drijven: hoe houd je het vol als gelovige? Hoe houd je het vol in situaties van vervolging en tegenstand? Hoe houd je het vol in je werk voor het evangelie, als je ziet dat steeds minder mensen steeds meer werk moeten gaan doen? De teksten van vandaag reiken ons beelden aan die ons kunnen helpen. 

De rust van een kind op schoot bij zijn moeder, vertrouwend op de toekomst waarin onderdrukking en knechting geen plaats meer heeft.

En het blijmoedig op pad gaan met onze zending om het woord te verkondigen, gesteund door elkaar en door het besef dat de Heer zelf de route heeft uitgezet.

Moge dat ook tot troost, steun en inspiratie zijn.

Moge het zo zijn.