Overweging van Willem Pelser.

2 Kon. 5, 14-17; en Lucas 17, 11-19.

Thema: De Heer heeft mij gezien.

Vorig jaar rond deze tijd was ik zo'n 14 dagen in Suriname. In  Paramaribo staat de Sint Petrus en Pauluskathedraal, van binnen en van buiten helemaal van hout opgetrokken. In de linkerzijvleugel van de kathedraal ontdekte ik het graf van Peerke Donders, evenals onze vroegere pastor Joop Vernooij redemptorist.

Peerke werkte vanaf 1 augustus 1842 in Suriname in een melaatsenkoloniegevestigd op de voormalige plantage Batavia. Aan deze eenzame, verstoten en vergeten mensen heeft hij de meeste toewijding besteed. Hij verzorgde de walgelijkste ziektegevallen, aanhoorde hun klachten en verhalen, probeerde ze op te beuren, en legde hun uit dat de zonde veel en veel erger is dan de melaatsheid. En dat God er juist op de eerste plaats voor hen was. Dat was het diepste ideaal van Pater Peerke: de mensen laten voelen dat er voor hen liefde en genade was. Ook, ja juist als anderen je opzij schoven en isoleerden, dan was in ieder geval God er voor jou. 

Hoort hoe God met mensen omgaat, de Heer heeft hen gezien en onverwacht zijn zij opnieuw geboren en getogen door de zorg en liefde van Peerke Donders.

In Batavia overleed hij op 14 januari 1887, 77 jaar oud.

Zijn stoffelijk overschot werd aanvankelijk op het kerkhof van de melaatsenkolonie begraven, maar op 17 januari 1921 werd het herbegraven in een graf in de linkerzijvleugel van de kathedraal. 

Ook in de tijd van Elisa en Jezus kwamen melaatsen voor. Overigens werden toen alle huidziekten op één hoop gegooid: eczeem, schimmelinfectie en andere huidaandoeningen, dus ook melaatsheid of lepra. Sommige waren te genezen, andere niet. Voor de Joden waren deze mensen onrein en dat werd door de priesters vastgesteld. Die stelden ook vast of iemand daarvan genezen was. Tot dan toe werden de onreinen geïsoleerd en moesten ze door middel van een bel of door te roepen hun komst aankondigen.

In de eerste lezing wordt de Syrische legeroverste Naäman, die leed aan een huidziekte, helemaal genezen door zich op bevel van de profeet Elisa helemaal onder te dompelen in de Jordaan. Dat was echter niet het werk van Elisa, maar van God. En Naäman was dankbaar, geloofde in de God van Israël en wilde Hem aanbidden. Daarom vroeg hij een vracht aarde, want alleen op Israëlische grond zou hij God in Damascus kunnen aanbidden. 

Hoort hoe God met mensen omgaat, de Heer heeft Naäman gezien en onverwacht is hij opnieuw geboren en getogen.

In het evangelie van vandaag bevindt Jezus zich op zijn weg naar Jeruzalem in het grensgebied tussen Samaria en Galilea. De grens tussen gelovige joden en halfheidenen: zij mochten elkaar niet. Dan komen er tien melaatsen op Hem af, waaronder een Samaritaan, maar zoals de wet voorschrijft, Hij houdt ze op afstand en zegt alleen maar: “Gaat u laten zien aan de priesters”, ook weer zoals de wet voorschrijft. En onderweg naar de priesters worden alle tien melaatsen gereinigd. Terwijl ze nog niet genezen waren, gingen ze toch naar de priesters. Voor hen was dat een beproeving. Wat geloven ze? Hun ogen die vertellen dat ze nog melaats zijn? Of het Woord van Jezus, dat ze genezen zullen worden?

Hoort hoe God met mensen omgaat, de Heer heeft de melaatsen gezien en onverwacht zijn zij opnieuw geboren en getogen.

De tien melaatsen hebben – zoals de wet weer voorschrijft – een offer gebracht, een biddag gehouden, omdat ze zijn genezen, maar slechts één van de tien houdt ook een dankdag. “Een van hen keerde terug, toen hij zag dat hij genezen was en verheerlijkte God met luider stem. Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus' voeten neer.” Hij geeft God de eer van zijn genezing. Hier gaat een Samaritaan, een halfheiden, voor in dankbaarheid, zoals een Samaritaan de Joden voorging in barmhartigheid. Een ware les voor de Joden.

Waarom zijn de negen andere Joodse melaatsen niet teruggekomen net als deze “vreemdeling”?

Voor ons eenentwintigste eeuwers is dit een duidelijke boodschap: we mogen – net als de tien melaatsen – door bidden en smeken alles aan God vragen, maar dan wel alles met dankzegging. Laten we niet vergeten om God te danken voor alles wat Hij ons heeft gegeven en gelaten. Heel bijzonder mogen we God wel danken voor wat Hij gaf als verhoring op ons gebed.

Moeilijk, vind ik. Hoeven de mensen die geen genezing ontvangen, genezing waarvoor ze zo hard hebben gebeden, dus niet dankbaar te zijn. Wij zijn zo geneigd naar onszelf toe te rekenen. Moet God aan onze verwachtingen voldoen? Is Hij onze loopjongen? 

Het is geen onwil of opzet dat wij God vaak niet danken. Wij zijn teveel met onszelf bezig en met wat we gekregen hebben. Kijk naar een kind dat net een ijsje van oma heeft gekregen. Het begint er meteen aan te likken zonder oma te bedanken. “Zeg eens netjes dankjewel!”, hoor je een moeder dan zeggen. Het kind is echter helemaal op het ijsje gericht.

Toen we ouder werden hebben we het afgeleerd, geen dankjewel te zeggen, maar hebben we geleerd dankbaar te zijn ten opzichte van God? Hem te danken voor zijn liefde, barmhartigheid en trouw?

Ik kan me voorstellen dat iemand zegt: “Dankbaar zijn? Ik niet! Ik ben ziek en word niet meer beter. Ik heb tegenslag op tegenslag, ik ben niet gelukkig.

Merkwaardig is dat; wanneer het naar uw zin gaat, wanneer u gelukkig en gezond bent, zou u God dan wel danken?

We weten diep binnen onszelf dat God het goed met ons voorheeft. We mogen uiteindelijk hopen op een blijvend geluk: dat God het goed laat komen met ons.

Hoort hoe God met mensen omgaat, de Heer ziet ons en onverwacht zijn wij opnieuw geboren en getogen.

Moge het zo voor ons allen zijn!