Overweging van Wim Rigters.

HOOGFEEST VAN HET H. SACRAMENT.

Lezingen: 1 Kor. 11, 23-26, en Luc. 9, 11b-17.

Thema: Bevrijdingsbrood.

Ik herinner me het nog heel goed,  – die 5e mei 1945 – ik was nog net geen 5, maar rende met heel veel mensen om me heen naar het einde van onze straat, waar je ver weg kon kijken over het land; daar in de verte vliegtuigen die grote pakken lieten vallen . . . ‘brood!’ riepen de mensen . . . ‘bevrijdend brood!’. Maar van daarná herinner ik me alléén nog die grote blikken, die grotere jongens aan elkaar bonden tot een vlot, om te varen op de sloot. Nu - veel  later – denk ik: hoe bijzonder was dat . . . brood uit de hemel, omdat mensen wilden delen.

Paulus was er zelf niet bij die laatste avond van Jezus en zijn leerlingen; hij heeft het over een overlevering, een traditie die in de eerste christengemeenten gepraktiseerd wordt: de ‘maaltijd des Heren’, maar hij beschrijft die, omdat hij zich grote zorgen maakt over die praktijk;  dit gaat namelijk aan onze tekst vooraf: “Nu ik toch bezig ben voorschriften te geven: Ik vind het niet prijzenswaardig dat uw bijeenkomsten meer kwaad dan goed doen. . . . Zoals u nu samenkomt, kan er geen sprake zijn van de maaltijd van de Heer. Want iedereen gebruikt bij het eten vlug zijn eigen maal, zodat sommigen honger lijden en anderen dronken zijn.”

Herinneringen van lang geleden, tradities, overleveringen, lopen het gevaar te verschralen door het verlies van kennis, oorspronkelijke inspiratie en enthousiasme.

Wat wij zojuist gezongen hebben, zou niet gek geklonken hebben uit Paulus’ mond:

       “Boek jij bent geleefd, zeg ons hoe te leven.

       Wou je leven met zovelen, hier op aarde moet  je delen:

       licht en adem, geld en goed.

       Wie maar leeft om meer te krijgen, die zal sterven 

       aan zijn eigen overvloed”

Een overlevering die in de eerste christengemeenten ook heel belangrijk en bijzonder was, is het verhaal dat we vandaag als ‘Evangelie’  hoorden; alle vier evangelisten vertellen het en Matteus en Marcus zelfs tweemaal. In dit verhaal werd blijkbaar de kern van Jezus’ boodschap herkend; temeer als je weet dat Lucas dit verhaal omlijst met de vraag van Herodes: “Wie is dat toch over wie ik al die verhalen hoor?”  en de vraag van Jezus aan zijn leerlingen: “Wie zeggen de mensen dat ik ben?” 

En toen begon er bij mij ook een vraag te rijzen;  de twee gelezen  lezingen zijn ongetwijfeld passend en terecht in de liturgie voorgeschreven op deze sacramentsdag, Maar kunnen wij nog vrij lezen wat er staat?  Naar aanleiding van Paulus’ woorden hebben kerkleraren, theologen en pausen met hun concilies eeuwenlang woordenstrijd gevoerd over Jezus’ woorden en tenslotte vastgesteld dat Hij niet anders bedoeld kan hebben dan wat is samengevat in de term “Realis Presentia”: door de woorden van Jezus te herhalen is dit brood en deze wijn veranderd in het lichaam en bloed van Jezus. . . . Het gevolg was: nog meer strijd, vervolgingen, ketterijen, schisma’s. Was dat Jezus’ bedoeling, toen Hij die woorden gebruikte op die avond?

En dan dat andere prachtige verhaal: ongeveer 5000 man, dus waarschijnlijk nog veel meer mensen, hebben honger aan het eind van de dag en ver van huis, en hoe los je dat nou op? Jezus doet dat: eindeloos vermenigvuldigt Hij die vijf broden en twee vissen, en zo werd het het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging. Maar misschien ging het wel heel anders;  “Jullie moeten hen te eten geven!” Ja maar . . . Niks te maren! Geef mij die broden – en Jezus brak ze – “Deel ze maar uit”. En dat werkte aanstekelijk, en iedereen die eten bij zich had begon dat ook te doen . . . en ze hielden nog over ook  -  twaalf manden vol . . . en waar die manden vandaan kwamen? God mag het weten.

Als ik in de kranten lees van de wereldhonger, als ik op de teevee zie al die uitgehongerde kleine kinderen, als ik lees over een overvol Ter Apel, nog steeds geen oplossing voor de toeslagenouders, en de steeds groter wordende kloof tussen arm en rijk in ons land, dan wordt het evangelie voor mij wel heel indringend; dan staat Jezus voor mij, vandaag. Hij richt zich tot mij. Hij zegt: 'Nee, verwacht van mij nu geen wondertjes. Geeft gij hun maar te eten.'

Als ik zo het verhaal van het evangelie serieus lees dan wordt opeens heel  het consecratie-gebeuren voor mij duidelijker. Ik zie Jezus brood nemen. Hij breekt het en zegt: 'Dit is mijn lichaam. Dit ben ik. Ik wil mij breken als brood voor anderen, Ik ben begonnen. Doe je mee ter gedachtenis aan mij?'

Op zondag naar de kerk, samenkomen om Agapè, Eucharistie te vieren  -  een eeuwenoude traditie.  Bij de dichter Guillaume van der Graft vond ik bevrijdende woorden die kernachtig samenvatten wat ik vandaag zou willen zeggen op dit “Hoogfeest van het Heilig Sacrament van het Lichaam en Bloed van Christus”, zoals de officiële titel luidt. U kunt ze meelezen; de tekst staat achter in het boekje.

Op zondag naar de kerk

Geef het brood aan elkaar

en denk niet dat je heilig bent,

je leeft alleen maar.

Warm de beker

tussen de palmen

van je twee handen

en drink uit de diepte.

De wijn roept

om een oor

verder weg dan de morgen,

dichter bij dan mijn tong.

Het brood wordt welsprekend

als het gebroken is

Ze weten er meer van.

dat brood en die bekervol.

dan mijn vlees en bloed.

Denk niet dat je heilig bent

als je dat doet,

je leeft alleen maar.

maar je leeft niet alleen.

Guillaume van der Graft