Overweging van Wim Rigters.

Lezingen: Genesis 1,1-5 en Marcus 10,46-52

Thema: God zei: ‘Laat er licht zijn’ en er was licht.

Wij hebben een beetje gesjoemeld met de eerste lezing; de vandaag liturgisch voorgeschreven lezing vonden wij niet zo aansluiten bij de evangelielezing; we hebben deze gekozen – niet vanwege dat gedoe over ‘de nieuwe Bijbelvertaling 21’, maar helemaal alleen vanwege die woorden: ‘laat er licht zijn’, vooral omdat die dáár staan, helemaal aan het begin van dat grote boek – bijna als titel.

Als je dan dit boek ongeveer op de helft openslaat (doen!) lees je dit: “Het volk dat ronddwaalt in het donker, ziet een helder licht. Over hen die wonen in een land vol duisternis, gaat een stralend licht op”. – De profeet, de ziener Jesaia is aan het woord; dat volk herken ik wel, maar dat licht!?

En dan - nog een paar honderd bladzijden verder horen we Jezus van Nazareth zeggen: “Ik ben het licht van de wereld. Wie mij volgt, gaat zijn weg niet in duisternis, maar zal het ware levenslicht bezitten”.

De bijbel in een notendop. Mooi hè? . . . . vind ik zelf wel. . . . .

Maar toen vroeg ik me af: hoe zouden deze woorden klinken in de oren van al die mensen nú, die snakken naar een lichtpuntje in hun duistere bestaan? In die grote wereld en in ons kleine landje? Die miljoenen vluchtelingen, asielzoekers, ontheemden zonder thuis, zonder status, of vanwege hongersnood, of voor dictatuur gevlucht . . . . .

‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ . . . .

Velen snauwden hem toe dat ie z’n mond moest houden - die waren met heel andere zaken bezig: blindelings achter hun vermeende idool aan rennen - protesteren tegen regels die niet in hun straatje passen, een beetje rellen, politie pesten – of gewoon tegenstanders elimineren . . . .

Hij moest wel tweemaal schreeuwen, maar toen werd hij ook gehoord en gezien door Jezus: Wat wilt u dat ik voor u doe?

God, wat zou ik wensen dat dit de centrale vraag mag zijn aan de formatietafel in Den Haag. . .

Ik moet denken aan een lied dat wij hier wel eens zingen:

Deze kleine wereld, / mijn kortzichtigheid / leg ik voor jou neer. Breng mij over grenzen / tot een ommekeer.

Marcus, wat moeten wij met dat verhaal van jou over die blinde? Wij zijn toch niet blind!?

De voorbije zondagen hebben we hier meerdere verhalen gehoord die aan dit van vandaag voorafgaan: dat Jezus onderweg naar Jeruzalem zijn leerlingen tot drie maal toe vertelt over wat hem te wachten staat: zijn naderend lijden en zijn dood; maar – ondanks alles waarvan zij getuigen mochten zijn, begrijpen de leerlingen daar telkens niets van; Petrus wil het niet eens horen en “begon hem zelfs de les te lezen” staat er. Zij lijken als door blindheid geslagen.

“Als iemand achter mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en mij volgen” is Jezus’ antwoord. Ook voor iemand met veel bezit, die zich van jongs af aan aan alle wetten en geboden had gehouden, was dat teveel gevraagd.

Johannes en Jakobus komen Jezus vragen: wilt u ervoor zorgen dat wij straks links en rechts van u mogen zitten als u in uw heerlijkheid gekomen bent? En dat zorgt weer voor een ruzie tussen de leerlingen, waarop Jezus er een kind bij haalt en het in hun midden zet . . . . ‘als gij niet wordt . . . ‘

‘Wek mijn zachtheid weer. Geef mij terug de ogen van een kind . . . ‘ Is het gek dat Jezus meermalen verzucht: “Begrijpen en verstaan jullie het nog niet? Jullie hebben toch ogen, zie je dan niet? Jullie hebben toch oren, hoor je dan niet?” . . . .

En dàn . . . . dan komen we onderweg Bartimeus tegen! Eindelijk is er iemand die 'ziet', z’n mantel, zijn hele hebben en houden, weggooit en met Jezus meegaat op zijn weg.

Marcus, je vertelt niet zo maar een verhaaltje; je zult ongetwijfeld een bedoeling gehad hebben met dit verhaal en met je gehele evangelie: een boodschap voor jouw lezers, je toehoorders in jouw tijd. Die tijd zal echt niet zo anders zijn geweest dan de onze.

“Dat ik wéér zien kan” . . . . wat bedoel je daarmee, Marcus? Dat hij eerst wel kon zien en later blind geworden is? Of . . .: dat ik opnieuw kan zien . . . nieuw kan zien wat ik eerst niet zag. Dat ik ánders ga zien, ánders ga kijken.

Het is goed, te zien dat er steeds meer mensen zijn die de tijd verstaan, zien wat er te doen staat, en ernaar gaan leven: voor de toekomst van de leefwereld, voor de kinderen, voor rechtvaardigheid, voor de mensen die niet gezien worden, voor . . . .

Het is ook goed en belangrijk te blijven vragen en bidden:

”Wek mijn zachtheid weer.

Geef mij terug de ogen van een kind.

Dat ik zie wat is

en mij toevertrouw

en het licht niet haat.”