Overweging van Wim Rigters.

Lezingen: Handelingen 4, 8-12; en Johannes 10, 11-18.

Thema: De steen die de bouwers hebben versmaad, die is tot hoeksteen geworden.

mijn moeder is mijn naam vergeten,
mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
hoe moet ik mij geborgen weten?

noem mij, bevestig mijn bestaan,
laat mijn naam zijn als een keten.
noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

voor wie ik liefheb wil ik heten.

 

Waarschijnlijk voor velen geen onbekend gedicht. Maar zelden is een gedicht uit een debuut zo ingeslagen. . . 

Als heel veel later Neeltje Maria Min – die dit dichtte – ernaar gevraagd wordt, zegt ze: ‘Er valt zo weinig over te vertellen …. Men kan zich afvragen waarom het is geschreven. Nou, dat weet ik zelf niet.’

Ik denk dat ik wel weet waarom.

Zelf vind ik het heel vervelend als ik iemand tegen kom, die ik al vaker heb ontmoet en gesproken, en dan toch weer niet zijn/haar naam weet. En wat is het fijn, als een ander je bij je naam noemt; je wordt gekend, hij/zij weet wie ik ben . . .  

‘Noem mij, bevestig mijn bestaan’!

 

‘Ik ken de mijne, en de mijne kennen mij, zoals de Vader mij kent en ook ik de Vader ken’.

Petrus – die van de eerste lezing – kan ervan meepraten: zijn broer Andreas had als eerste Jezus ontmoet, en hij nam zijn broer mee naar Jesus en als die hem ziet zegt hij: ‘Jij bent Simon, voortaan zul je Kefas heten’. (dat betekent ‘rots’). Die naam heeft hij niet bepaald waar gemaakt als volgeling van Jezus, met als dieptepunt het driemaal ‘welnee!’ vóór het kraaien van de haan. En toch: als de verrezen Heer de leerlingen verschijnt en driemaal Petrus heeft gevraagd: ‘heb je me lief?’ krijgt hij te horen: Zorg jij dan voor mijn schapen.

En Petrus wist wat dat betekende: hij hoorde nog de woorden: 

“Zoals de Vader mij gezonden heeft, zo zend ik jullie”,

Hij voelde nog de adem van zijn Geest: ‘als jullie iemand zijn zonden vergeven, dan zijn ze ook vergeven . . .’.

Hij herinnerde zich heel goed hoe Jezus hun eens vroeg: ‘Maar jullie, wie zeggen jullie dat ik ben? En hij spontaan antwoordde: ‘U bent de Messias, de zoon van de levende God’. Maar wist hij toen wat deze woorden betekenden?

 

Gelukkig hebben we Johannes, althans het boek dat aan hem wordt toegeschreven en waarvan vast staat dat het pas eind eerste eeuw tot stand is gekomen. Er is dus heel lang nagedacht over wat daarin gezegd wordt over Jezus. Zoals vandaag, als Jezus van zichzelf zegt: ‘Ik ben de Goede Herder’. Het is één van de zeven ‘Ik ben’ uitspraken in dit evangelie:

Ik ben het brood des levens, - Ik ben het licht der wereld, - Ik ben de deur voor de schapen – Ik ben de Goede Herder, - Ik ben de opstanding en het leven, - Ik ben de weg, de waarheid en het leven, - Ik ben de ware wijnstok. . . . 

Ik ben . . .  in het Grieks: ego eimi;  voor de joden waren deze woorden onmiddellijk heel duidelijk: hiermee identificeerde Jezus zich met de Naam waarmee God zich in het Oude Testament had bekend gemaakt aan Mozes. Dat blijkt wel uit de reactie van de toehoorders op de woorden van Jezus die Johannes elders weergeeft: ‘Waarachtig, ik verzeker u, van voordat Abraham er was, ben ik.’  - ‘ze raapten stenen op om naar hem te gooien’. . . .

Ik denk nu aan een gesprek in een hele andere sfeer – tijdens het Laatste Avondmaal: Filippus zegt tot Hem: Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg! En Jezus: zo lange tijd ben ik bij u en toch heb je me niet leren kennen, Filippus?  - wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien! Hoe kun je dan zeggen ‘toon ons de Vader’?

 

Het gaat vandaag over identiteit; de identiteit van Jezus? Van God? Van de eerste volgelingen?

Hoe verleidelijk is het om het verhaal van de Goede Herder toe te passen op de ‘herders’ van onze tijd: de wereldleiders, Den Haag, of vul zelf maar in  . . . 

‘Verbeter de wereld; begin bij jezelf’ is nog steeds van kracht:

Het gaat over onze eigen identiteit als volgelingen van Jezus in deze tijd, want God kan alléén gekend worden, als wij Zijn Naam waar maken: Ik Ben . . . en zet lijf en ziel in voor de schapen.

 

Simon, Petrus, Kefas . . .

Wij zijn de stenen, die dit gebouw betekenis geven.