Overweging van Wim  Rigters.

Lezingen: 2 Koningen 4,42-44 en Johannes 6,1-15.

Thema: ..... ik wil wel delen ........

“Er kwam iemand uit Baäl-Salisa  met twintig gerstebroden en wat vers koren. . . .” - “Er is hier een jongen die vijf gerstebroden en twee gedroogde visjes bij zich heeft”. 

Twintig broden voor honderd man . . . daar kan ik me nog wel iets bij voorstellen: ieder 5 sneeën, nou en . . .? Maar 5 broden en 2 visjes voor ongeveer 5000 mannen . . . .?

Jij was er bij, naamloze jongen, maar ik zie aan je ogen wat je erbij dacht: ik wil wel delen, maar . . . -  en dat zei je niet hardop, maar Andreas wel: wat hebben we daaraan voor zo’n aantal?

Lang was ikzelf heel tevreden met deze uitleg van het “wonder”: Jezus zei tegen de mensen: ‘kijk eens, hier is een jongen die wil zijn vijf broden en twee vissen wel delen’ - en dat werkte aanstekelijk, en  iedereen die wat bij zich had ging dat ook doen . . . en zo was er genoeg voor iedereen. Dus geen wonder! . . . of toch wel?

Het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging wordt in de 4 evangelies 6x verteld: 2x bij Matteüs en Marcus, 1x bij Lucas en 1x bij Johannes, zoals we vandaag hoorden. Alléén bij Johannes is er die jongen, maar de 5 broden en 2 vissen zijn er bij alle vier, en alléén Johannes vermeldt dat “het kort voor het Joodse Paasfeest“ is. En daar zal hij ongetwijfeld een bedoeling mee hebben. In ieder geval maakt deze veelvuldige vermelding van deze gebeurtenis duidelijk, dat het in de verkondiging aan de eerste christen een heel belangrijk verhaal was; het herinnerde  hen namelijk direct aan dat andere verhaal: dat van het laatste samenzijn van Jezus met zijn leerlingen om Pesach te vieren, het Paasmaal. Inmiddels was dat vaste traditie geworden: op de eerste dag van de week in het samenkomen en het breken en delen om Hem te gedenken.

Het verhaal zoals wij het vandaag horen, is genomen uit het 6e hoofdstuk van het Johannesevangelie, waarin centraal staan Jezus woorden: “Ik ben het brood om van te leven”. Het is het eerste  van de zeven ‘Ik Ben’-woorden die Johannes Jezus in de mond legt. Zeven maal bij Johannes horen we Jezus zeggen: Ik ben het brood des levens; Ik ben het levend water; Ik ben het licht der wereld; Ik ben de goede herder;

Ik ben de opstanding en het leven; Ik ben de weg, de waarheid en het leven; Ik ben de ware wijnstok . . .

Het is alsof Johannes ons vraagt: en jij, Wie, wat, ben jij? Wie, wat wil jij zijn? – en in het bijzonder vandaag: brood om te delen?

Als je met de pont bij Appeltern de Maas oversteekt, is daar aan de overkant een restaurantje: aan de muur hangt daar deze spreuk: “Als je het beter hebt dan anderen, bouw je een langere tafel, geen hoger hek”. Kusje: Tante Es. 

Bedoeld voor passanten, gewoon mensen onderweg, zoals die vaders daar in Vezelay, waarover Betty het had in de inleiding, 

Ik wil wel delen . . .

Hebt u het ook gelezen in de krant of gehoord op het nieuws?

“In de wieg al op achterstand: bij baby’s van 4 maanden is de ongelijkheid reeds te zien. Kinderen uit arme gezinnen komen al vroeg op achterstand, blijkt uit nieuw Rotterdams onderzoek met gegevens van 153 duizend kinderen. Arme baby’s zijn vaker zwaarder, arme peuters hebben vaker een taalachterstand, arme tieners vaker psychosociale problemen. Hoe komt dat?”

Maar ook dit: De inzamelactie Giro 777 voor Limburg heeft binnen een week meer dan 8,5 miljoen euro opgebracht. Daarvan krijgen 8000 huishoudens die door de watersnood zwaar zijn getroffen elk 1000 euro.

En in onze eigen geloofsgemeenschap denk ik nu aan de contacten met vluchtelingen, de vastenmaaltijden en de jaarlijkse kerstpakketten.

In het openingslied zongen we:

Breken en delen, zijn wat niet kan,

Doen wat ondenkbaar is.

Straks in het slotlied zullen we zingen:

Om mens voor een mens te zijn wordt alleman geboren,

Om leven in lief en leed gaan mensen tot elkander.

Moge het zo zijn.