Overweging van Willem Pelser.

Ezechiël 18, 25-28 en Mattheüs 21, 28-32

Thema: werken in Gods wijngaard.

De eerste lezing van Ezechiël voert ons naar de Babylonische ballingschap. De profeet reageert op de generatie die in ballingschap geboren is, opgroeit en het gevoel heeft dat zij de gevolgen ondergaan wat hun ouders en grootouders verkeerd hebben gedaan. Vandaar de spreuk: “De vaders hebben zure druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn er stroef van,” zoals Ezechiël een aantal verzen eerder zegt.

“Gij beweert; de weg van de Heer is niet recht!. Huis van Israël, luister toch! Zou het werkelijk mijn weg zijn, die niet recht is? Zijn niet veeleer uw eigen wegen niet recht?”

Zo laat God Ezechiël spreken.

Het idee dat goed en kwaad over verschillende generaties doorwerken, is lange tijd ruim verspreid geweest in de joodse traditie en is zelfs in de tijd van Jezus niet helemaal overwonnen. Wat voor toekomst hebben zij dan?

Aan wat hun vaders hebben gedaan zijn zij niet schuldig en hun situatie moeten ze niet beschouwen als een straf voor de fouten van hun vaders.

Iedereen is persoonlijk verantwoordelijk voor zijn eigen daden en iedereen heeft ook de mogelijkheid om zijn eigen gedrag te veranderen en is daar ook verantwoordelijk voor.

Wie goddeloos leeft, maar zich afkeert van de zonden die hij heeft begaan, zich aan Gods geboden houdt en goed doet, zal in leven blijven en niet sterven.

Met recht een bevrijdende boodschap van de profeet voor de ballingen. Het gaat hem vooral om de kansen waarin hij blijft geloven voor deze generatie.

Maar als iemand goed heeft geleefd en niet langer gerechtigheid doet, onrecht pleegt en wandaden begaat van een slecht mens, hij zal sterven. Al zijn goede daden tellen niet langer meer.

Sommigen waren het daar niet mee eens en zeggen: “De “wegen van de Heer zijn onrechtvaardig!” God beoordeelt echter ieder naar de weg die hij of zij NU gaat. Gods gerechtigheid is erop gericht dat wij allemaal leven.

Kom tot inkeer is de oproep aan de ballingen, maar ook aan ons. Kies voor de weg, die alle vergelding te boven gaat, barmhartig en royaal is en het leven van allen wil.

En dan komen we bij het evangelie van Mattheüs.

Normaal gesproken komen we allemaal zoals we hier zitten uit een katholiek nest, met een katholieke nestgeur, een geur van wierook en kaarsen, die een zekere geborgenheid geeft. Komend uit hetzelfde nest kunnen we toch tegengestelde wegen gaan. Kiezen om alles bij het oude te laten óf om op nieuwe wegen onze weg te  kiezen.

Vandaag hoorden we bij Mattheüs dat het niet vanzelfsprekend is om Gods wegen te gaan, ook al kom je uit een goed nest.

Twee zonen..., twee tegengestelde reacties op de vraag van de vader om in de wijngaard te gaan werken. En toch, ze komen allebei uit hetzelfde nest.

De eerste zoon laat weten dat hij naar de wijngaard zal gaan, maar hij doet het niet.

De tweede zoon zegt 'nee, ik heb daar geen zin in', maar gaat uiteindelijk toch, want hij weet dat anders de druiven zullen gaan rotten.

Wie deed nu de wil van zijn vader?

Deze vraag stelde Jezus aan de hogepriesters en oudsten van het volk. Zij trekken de goede bedoelingen van Jezus in twijfel, omdat Hij omgaat met zondige mensen: tollenaars en hoeren. Zij weten dat het in deze parabel gaat om Jahweh (de vader). Ze kennen Jezus ondertussen wel...!

Nu worden ze door Jezus voor het blok gezet:

Ze kiezen en zeggen: “De laatste.”

Waarom geloofden zij Johannes de Doper niet? Johannes de Doper beoefende gerechtigheid en het volk schonk hem geloof, inclusief tollenaars en ontuchtige vrouwen. De hogepriesters en de oudsten  echter niet. Daarom zegt Jezus: ”De tollenaars en de hoeren gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen.”

Gaan werken in de wijngaard is gaan werken aan gerechtigheid: Gods gerechtigheid zoeken, zijn wil volbrengen. Als je kiest voor gerechtigheid, dan heeft God daar vreugde in, dan zul je leven, zegt de profeet Ezechiël tegen zijn medemensen in ballingschap. Kies Gods weg en je zult leven.

Tegen de hogepriesters en de oudsten van het volk zegt Jezus: “Jullie zijn als de eerste zoon, want jullie praten mooi, zeggen dat je de Thora naleeft, maar doen het niet.” In de Thora wordt ook gesproken over gerechtigheid tegenover je medemens. Corrupte tollenaars en ontuchtige hoeren, die proberen ondanks hun zonden toch anderen te helpen, doen op onverwachte wijze wél wat God wil. Neem een voorbeeld aan hen!

Hoe zit het nu met ons? Doen wij wat God vraagt? Welke zoon zijn wij? Zijn we de enthousiasteling die volmondig 'ja' zegt op God, maar niets doet? Of herkennen we ons meer in degene, die geen zin heeft en toch gaat helpen? Of herkennen we ons in beiden, omdat perioden van lauwheid worden gevolgd door tijden van gedrevenheid?

Ik denk dat goed en kwaad allebei in ons zitten. Daarom moeten we voorzichtig zijn bij het beoordelen of afschrijven van elkaar.

Doe zoals Paulus schrijft aan de Filippenzen (de lezing die we vandaag hebben overgeslagen):

“Geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid, maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf. Laat niemand alleen zijn eigen belangen behartigen, maar liever die van zijn naasten. Die gezindheid moet onder u heersen welke Christus Jezus bezielde.”

Wij mogen meewerken in Gods wijngaard. Het is nooit te laat om te beginnen en om het geen-zin-hebben in onszelf de mond te snoeren en op te staan voor een nieuw begin van leven in Gods naam, werkend in zijn wijngaard.

Moge het zo zijn.