Overweging van Wim Rigters.

Hand. 5, 12-16, en Joh. 20, 19-31.

Thema: ‘Gij zijt voorbijgegaan’.

Voor sommige mensen kan dit ook klinken als een verzuchting:  het is weer voorbij!: niet meer weken lang iedere dag passiemuziek op radio en TV en de reclamekreet daarbij: ‘geniet van de Mattheüs’, ‘neem een vip-arrangement voor de uitvoering ervan’ – genieten van een lijdensverhaal!? 

Tegelijk gingen ze voorbij: de moordaanslagen van de afgelopen weken – Christchurch, Utrecht, Sri Lanka. Onbeschrijflijk leed,  diepe wonden in mensenlevens . . . diepe wonden tussen mensen, - vader, moeder, kind, familie, vriend, weg, kwijt, verloren, voorgoed! . . . 

 ‘Het is voorbij’, zal ook Thomas gedacht hebben na de moordaanslag op zijn meester en vriend, Jezus. Kom me nou niet vertellen dat ie leeft; we hebben toch gezien wat er met hem gebeurd is.

En wij hebben het – op verre afstand – over de ongelovige Thomas. Zijn ongeloof is spreekwoordelijk geworden. Deze wat laatdunkende houding onzerzijds is echter niet helemaal onverdacht. Er spreekt duidelijk enige afgunst uit jegens de man, die - net als wij - bewijzen wilde zien en die daarbij nog op zijn wenken werd bediend ook. Waarom hij wel en wij niet? Naar ons gevoel is hij op een ontoelaatbare manier bevoordeeld. 'Mijn Heer en mijn God.' Tomas heeft gemakkelijk praten. Hij hoeft alleen zijn ogen maar te geloven, terwijl wij op een geloven zonder zien aangewezen zijn.

Lang niet alle geleerden zijn het echter met deze lezing van de tekst eens. Met name over de zin: 'Omdat je me gezien hebt geloof je. Gelukkig zij die zonder gezien te hebben toch tot geloof komen’  lopen de meningen ver uiteen. Enerzijds beluistert men hierin een verwijt aan het adres van Tomas. In de wereld van de gelovigen is hij een tweederangs burger. Het echte geloof kan het zonder het zien van tekens stellen, maar er zijn nu eenmaal zwakke broeders aan  wie concessies moeten worden gedaan. In dit geval is het echter wel vreemd, dat een zorgvuldig gecomponeerd werkstuk als het Johannes-evangelie ontegenzeglijk is, ons uitgerekend aan het slot met een zo weinig verheffend voorbeeld van geloof confronteert. Bovendien valt het nauwelijks met dit beeld van Tomas te rijmen, dat uit zijn mond de grootste belijdenis van heel het evangelie wordt gehoord. Het is daarom niet zo verwonderlijk, dat er nogal wat stemmen opgaan die beweren, dat deze woorden van Jezus geen verwijt aan Tomas bevatten. Het is gewoon een kwestie van tijdsverschil. Met Tomas is de tijd van het zien van Jezus voorbij en begint de tijd van Hem geloven op zijn woord.

Tomas vraagt een teken. Het feit dat hem dat prompt wordt vergund wekt bij ons de indruk dat het geloven hem wel erg gemakkelijk wordt gemaakt. Het tegendeel is waar. Een teken

immers openbaart niet alleen, het verhult ook. Dit geldt zeker voor het teken waarom Tomas vraagt. Menselijk gezien is Jezus' optreden uitgelopen op een mislukking. Tomas deed er

verstandiger aan de herinneringen aan zijn schandelijke dood maar te laten rusten en te vragen om een oogverblindend bewijs van Jezus' goddelijke macht, dat de pijnlijke herinnering voorgoed kan uitwissen. Hij gaat het verleden echter niet uit de weg. Hij haalt alle wonden weer open en belijdt dan met de tekenen van Jezus' mislukking voor ogen zijn geloof. Tomas wenst het duistere verleden niet te vergeten, maar het belemmert niet langer zijn geloof: Jezus, die zich liet vernietigen op het kruis - hij is zijn Heer en zijn God. De aanvaarding van deze paradox is het echte geloof en in Tomas heeft het Johannes-evangelie dan ook een waardig slot.

Wij kijken wel ten onrechte een beetje minzaam op die zogenaamde ongelovige Tomas neer. Tomas wenst het kruis onder ogen te blijven zien ook als de tijd van de verheerlijking is aangebroken. Wij kunnen ons door het verhaal dat Johannes over hem vertelt beter laten inspireren om hetzelfde te doen. Zo luidt trouwens ook het devies dat we al eerder in het evangelie van Tomas kregen: 'Laten ook wij gaan om met hem te sterven.'

De Tsjechische priester, psychotherapeut en filosoof Thomas Halik reikte ons het thema voor deze viering met zijn boek: ‘Raak de wonden aan’.  Daarin stelt hij, dat “een geloof dat de duisternis van Goede Vrijdag niet ondergaat, de volheid van de Paasmorgen niet kan bereiken”. Er is geen opstanding zonder kruis, geen geloof zonder wonden en twijfels.

Er zijn veel gewonde medemensen in onze maatschappij, fysiek en/of geestelijk gewond; door de loop van de natuur, door ongeluk, door geweld, door onverantwoord gedrag van henzelf of anderen, door misdaad en criminaliteit.

Er zijn duizenden medemensen die zich dagelijks inzetten deze wonden te voorkomen, te verzorgen, te helen, ervoor kiezen de wonden aan te raken, professioneel, vrijwillig:  verborgen God?

Zaterdagmorgen vóór Pasen stonden Joke en ik samen met een paar honderd anderen rond de St.Walrickkapel  in de Hatertse Vennen. Om 7 uur kwamen de zangers van Schola Cantorum Karolus Magnus als monniken verkleed zingend aanlopen door het bos, en terwijl wij luisterden naar de Lauden, het liturgisch morgengebed van Pasen, klom de zon en straalde ons even later vol toe door het enige venster dat de ruïne nog rijk is.

En ik dacht: ‘Licht dat ons aanstoot in de morgen . . . Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen . . .

Thomas, help mij:  zien! . . . en misschien ook durven aanraken.