Overweging van Willem Pelser.

Lezingen: Deut.4,1-2.6-8; en  Mc.7,1-8.14-15.21-23.

Thema: Heer, wie mag te gast zijn in uw tent?

Heeft u op sommige tijden ook zo'n gloeiende hekel aan allerlei wetten en regeltjes? Dit mag wel, dat weer niet, zus moet je doen, dat weer beslist niet. Je wordt er horendol van. In het verkeer, in de omgang met elkaar. En zeker nu in deze coronatijd. We hebben het allemaal zelf ondervonden, zelfs hier in de kerk: handen ontsmetten, 1,5 meter afstand, mondkapje om, geen koffie na de viering.

We leven in een wereld met een heleboel mensen samen. Om al die mensen op een harmonieuze manier samen te laten leven, ontkomen we er niet aan afspraken te maken met elkaar en dit regelen we dan door het opstellen van wetten en het invoeren van allerlei regels en regeltjes. Gelukkig dat het tot de overheid schijnt door te dringen dat het af en toe wel eens teveel kan zijn. Er zijn heel wat overbodige regels en die worden langzaamaan afgeschaft.

Toch blijven er een aantal basisregels om de basisrechten van iedere mens te waarborgen, zodat iedere mens tot z'n recht kan komen. Dáár gaat het om: het recht van iedere mens. De wet en de regels zijn alleen een middel om dat recht te beschermen, om ervoor te zorgen dat het recht van iedere mens ook daadwerkelijk gerespecteerd wordtMaar wat is nu werkelijk rechtvaardig? De eerste lezing, uit het boek Deuteronomium, heeft juist dat als thema.

Het joodse volk kreeg een wet van God, die wij kennen als de Tien Geboden of de Tien Woorden. Geen dikke bundel met regels en bepalingen, maar een compact stel regels. Tien regels om het leven met elkaar in goede banen te leiden. Dat lijkt weinig, maar later komt Jezus en hij brengt de wet zelfs terug tot slechts één zinnetje: “God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf”. Deze wet leert hij aan zijn leerlingen en aan ons. Gerechtigheid doen heeft alles te maken met het opkomen voor de zwakken. U kent de uitspraak wel: 'Wat u niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet”. Niemand wil aan de bedelstaf komen, niemand in de gevangenis, niemand wil ernstig ziek worden. Wie dat overkomt, zijn de zwakken onder ons. “Heb uw naaste lief als uzelf”!!!!!

In de loop der eeuwen heeft het joodse volk een heleboel regeltjes en bepalingen toegevoegd aan de tien geboden die ze van God hadden gekregen. Op zich niet zo erg, maar in de loop der tijden waren al die regeltjes een doel op zich geworden. De geest van de wet raakte ondergesneeuwd. Hoewel deze regels een menselijke interpretatie waren van de tien geboden, deden de Farizeeën het  voorkomen alsof deze regels van God afkomstig waren. In het evangelie van Marcus doorziet Jezus dit en komt ertegen in het geweer: “Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij”. En daar raakt hij precies de kern van de zaak. Het gaat er niet om dat het aan de buitenkant lijkt of je een goed mens bent. Maar hoe zit het van binnen? Waar ligt je hart? Je gebruikt de overlevering, een bouwsel van mensen , om je aan het woord van God te onttrekken.

Dat proberen mensen vaak te doen, zelfs in onze Kerk: je houden aan bepaalde regels door mensen opgesteld, om tegelijkertijd de fundamentele geboden van God te laten vallen. Jezus noemt dát onreinheid. Dat is onreinheid die van binnenuit komt. En dat is veel erger dan het overtreden van bepaalde regels die door mensen zijn opgesteld. Jezus heeft alleen oog voor de hoofdzaak, of liever de zaak van het hárt, zoals hij dat noemt. In het joodse denken is het hart namelijk de bron van elke morele beslissing, het geweten, de geest die ons bezielt. Daarop komt het aan. Uit het hart, uit het binnenste (zoals Marcus zegt) komt slechtheid, maar ook goede dingen: goede gedachten, medelijden, verdraagzaamheid, trouw, oprechtheid, rechtvaardigheid en vergevingsgezindheid.

Uit het hart komt vredelievendheid, de wil om vijandschap af te bouwen, kleine stappen te zetten die kloven kunnen overbruggen.

Uit het hart komt ook barmhartigheid. We hebben een hart dat zacht kan worden, dat kan overvloeien, dat gespitst kan worden op daden die een ander verrassen, dat zich kan indenken in de ander, dat sterk betrokken kan blijven bij een ander, ook al ligt er een grote afstand tussen ons.

Uit het hart kan een sfeer van hartelijkheid komen, spontane liefde, de neiging om in anderen het goede te zien.

Uit het hart kunnen honderden slechte dingen voortkomen, maar even zoveel goede dingen.

Zoals met alle verhalen uit de Bijbel, houdt Jezus ook ons dezelfde spiegel voor. Dit gebeuren uit het leven van Jezus, deze les die hij ons leert, is tegelijk een uitnodiging aan ons om in ons eigen hart te kijken. 

Hoe sta ik in het leven? 

Hoe ga ik met mijn geloof om? 

Wat doe ik met wat de Kerk me aanreikt? De Kerk spoort ons ertoe aan om sommige dingen te doen en andere dingen te laten. Maar gaat het alleen om het opvolgen van een aantal regeltjes, en kom ik dan wel in de hemel? 

De liederen die ik zing, de woorden die ik bid; in hoeverre raken die mij van binnen? 

Laat ik mij gezeggen door dat soms vervelende stemmetje van de Heilige Geest die tot mij spreekt, mijn geweten? En als ik een goede daad verricht, met welke intentie doe ik dat dan?

De weg naar God toe is geen kwestie van afvinken van een aantal regels die ons voorgehouden worden. Het is een proces waarin we ons steeds meer laten omvormen door de woorden die God tot ons spreekt.

De wet van God is niet te schrijven op stenen tafelen, en ook niet in boeken; de wet van God wordt pas werkzaam als die geschreven staat in ons hart.

Moge het zo zijn.