Overweging van Wim Rigters.

Lezingen: Gedicht ‘Aan Maria” (Micheël Steehouder) – Evangelie: Johannes 15,9-17

In de aanloop naar deze zondag waren er deze week een paar momenten die mij erg troffen; eerst was daar aan het begin ervan de viering van zondag: de boeiende overweging van voorganger pater Kimman, maar meer nog de geloofsbelijdenis die we daarna samen zegden en met name de woorden: “ik geloof in God, de Ene, die ons koestert als een moeder”.

Het volgende moment was thuis: Wij, Betty en ik hadden al afgesproken dat we het over Maria zouden hebben – Moederdag en meimaand dus . . . En als voorbereiding heb ik de gewoonte - om wat inspiratie op te doen – wat preken, overwegingen van anderen te raadplegen. Zo zocht ik ook in een boekje met preken van Toon Rabou, de vorige pastoor van Heiliglandstichting; hij had voor die gelegenheid een afbeelding van Maria van Wladimirskaja vóór in de kerk gezet – deze icoon hier vóór het altaar – achter in onze folder kunt u er meer over lezen, maar dat moet u straks maar doen.

“Nu moet je eens goed kijken: – begint pastoor Rabou -  ze lijkt helemaal niet op wat wij vinden dat Mariabeeldjes zijn, hè, waar Maria zo zoetekes kijkt naar het kindje, nee, het is geen zoete lieve vrouw die naar haar kindje kijkt. Ze kijkt niet eens naar het kind, heb je het niet gezien? Ze kijkt naar jou! Zo kijkt ze . . . Het kindje pakt daar de hals van de moeder vast, maar zij kijkt naar ons. . . . Dit is de vrouw met de zorg. Moet je die ogen zien! Zo heeft ze eeuwen gekeken naar de gewone mensen in Rusland. Want de gewone mens werd telkens weer het slachtoffer van de grote politiek. De gewone mens is het slachtoffer van de machten, van armoe, teleurstelling . . . “.

Dit beeld en deze woorden troffen me.

Het derde moment was: een artikel in Trouw deze week, getiteld: ‘Deze verzetsvrouwen redden duizenden levens, maar raakten vergeten’: “Ze verborgen onderduikers in hun eigen huis, fietsten met wapens en voedselbonnen door het land, beraamden aanslagen en smokkelden Joodse kinderen weg om ze op een veilige plek onder te brengen. En dat alles met gevaar voor eigen leven. . . .”.

We lazen zojuist: “De kracht, die jou eens heeft bezield, 

                               om bouwend op een visioen 

                               als vanzelfsprekend dat te doen,

                               wat onze toekomst open hield,” 

en  hoorden we Jezus tot zijn volgelingen zeggen: “Dit is mijn opdracht: dat jullie elkaar liefhebben met de liefde die Ik jullie heb toegedragen. De grootste liefde die iemand zijn 

vrienden kan betonen, bestaat hierin dat hij zijn leven voor hen geeft.”

Maria is in de loop der eeuwen door dogma’s, van ‘Onbevlekt ontvangen’ tot ‘Ten hemel opgenomen’, hoog verheven tot een bijna bovennatuurlijk, bovenmenselijk niveau, maar daardoor dreigt het gevaar dat we vergeten wat zij als moeder van Jezus heeft doorgemaakt: al in het begin, toen de oude Simeon tot haar zei: ‘dit kind wordt voor velen een steen des aanstoots; ze zullen over hem heen vallen. Dat moet door merg en been zijn gegaan. En toen dat kind 12 was en mee mocht naar de grote stad en daar - zonder iets te vragen - achter bleef in de tempel. Na 3 dagen zoeken kreeg ze het verwijt van haar puber, niets te begrijpen van wat Hem bezig hield: ik moet zijn waar mijn Vader is. . . . En zij bewaarde alles in haar hart. . .

En verder lezen we: ‘Zijn familie ging erop uit om hem in bedwang te houden, want ze zeiden dat hij zichzelf niet was . . . en zijn moeder kwam met zijn broers. Ze bleven buiten staan en lieten hem roepen’. Hij kwam niet, maar zei: ‘mijn moeder? mijn broers? Mijn moeder, mijn broers zijn zij die de wil van mijn Vader doen. . . .  

Daarna zwijgen de Evangelies over Maria; haar man Jozef is al geruisloos uit het verhaal verdwenen. Stond ze er al vroeg alléén voor?  -  Er zijn er velen die weten wat dat is. - Heeft ze meegemaakt dat hij uitbundig met hosanna werd toegejuicht? 

En zijn laatste gang naar Calvarië . . . ? Alléén de volkstraditie heeft haar daar een plaats gegeven: ‘Jezus ontmoet zijn moeder Maria’.  

En alléén bij de evangelist Johannes staat Maria onder het kruis van haar stervende zoon; de andere evangelisten vermelden dat er op afstand ook vrouwen stonden toe te kijken, maar Maria wordt niet genoemd.

Tótdat wij lezen - na de Hemelvaart van Jezus, als de leerlingen terugkeren naar Jeruzalem, naar de bovenzaal waar ze gewoon-lijk verbleven: “Zij bleven trouw en eensgezind in gebed, samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus, en zijn broers.”

Wellicht was dáár het einde van een lange zoektocht: wie, wat is dit kind? Wie was, is deze man?  En wat bedoelde hij, toen hij zei: 

“Dit draag Ik jullie op: dat je elkaar liefhebt.”

Geen vrijblijvend weetje, maar een opdracht, liever nog: een gebód – zoals in de oudere vertaling. . . .

God schiep de mens naar zijn beeld, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. . . .

Moederdag . . . ; ik ken nogal wat moeders voor wie dit niet hoeft en dat begrijp ik – maar vandaag wil ik denken . . . 

aan al die vrouwen die gewild moeder zijn . . . 

èn aan de meisjes en vrouwen die ongewild moeder zijn. . . ; 

wil ik denken aan al die vrouwen die gewild niet moeder zijn . . .

en aan hen die ongewild niet moeder zijn . . . ;

wil ik denken aan al die vrouwen - jong en ouder - die zorgen-vóór tot levenskeuze hebben gemaakt . . .;

vandaag wil ik denken aan allen die niet weten of ze vrouw of man zijn,

of dat wel weten en willen zijn wat zij echt zijn. . . .

en wil ik bidden dat wij hen allen niet vergeten . . .

‘Avé, wees gegroet’.

(Volgt lied:  ‘Zoals een moeder zorgt’ – Oosterhuis/Oomen)