Overweging van Hans van Zonneveld.

1 Kor. 11, 23-26; Joh. 13, 1-15 en Mt. 26, 36-46.

Thema: “Een Kerk die niet dient, dient tot niets!”  

Goed beschouwd staat de wereld op zijn kop, deze middag, deze dag. Jezus doet iets wat mensen, zelfs zijn beste vrienden, verbaasd doet opkijken. Hij buigt zich voorover naar de mens met vuile voeten. Het werk van slaven. Het onverwachte gebaar. Hij zet de wereldorde op zijn kop. Je zou het verwachten van iemand die zijn gezonde verstand heeft verloren, Maar van Gods Zoon? Als het een verrassing is, heb je toch even niet goed opgelet.

Jezus, de Rabbi en meester, de Messias en zoon van God, wast de voeten van zijn leerlingen. In die tijd, zoals gezegd, het werk van slaven en lagere dienaars omdat voorname mensen zichzelf een dergelijk “vuil werk” niet wilden aandoen. Dat Jezus deze dienst aan zijn leerlingen verrichtte was een totale omkering van zowel de toenmalige als van de huidige maatschappelijke regels: de bestaande machtsverhoudingen  worden gewoon omgekeerd.

Een ongelooflijke provocatie – niet alleen voor de leerlingen, maar ook voor ons. Wanneer we onze blik even op onze eigen situatie richten, dan moeten we ons, toch vandaag ook nog de vraag stellen of onze Kerk, en daarmee dus ook ons eigen kerk zijn, nog wel genoeg dienende trekken heeft, en of die voor de anderen ook nog voldoende zichtbaar en herkenbaar zijn. Als er over “Kerk” gesproken wordt horen we de laatste tijd vooral heel veel verwijten. Ik zal ze hier nu niet herhalen. 

Die verwijten treffen niet alleen diegenen die van ambtswege tot de kerkelijke hiërarchie behoren – dat zou te eenvoudig zijn. We zullen ons allemaal steeds op0nieuw oprecht moeten afvragen of ons eigen handelen van alle dag nog wel bijdraagt aan het beeld van een dienende Kerk. Daarbij zijn we trouwens in goed gezelschap. Ook Petrus heeft het er ongelooflijk moeilijk mee en zegt: “Dat is toch onmogelijk, nooit zult U mijn voeten wassen”. En Jezus? Na aanvankelijk begrip voor Petrus en voor zij herhaalde uitspraak dat hij het niet zal toelaten dat Jezus hem de voeten gaat wassen, zet Jezus hem voor het blok door te zeggen: “ als jij je voeten niet door mij laat wassen, hoor je niet meer bij mij”.

Duidelijker kan Jezus toch echt zeggen hoe zeer de dienstbaarheid Hem ter harte gaat, central staat in zijn leven en geloven.. 

De meester als dienaar: dat is toch een onverwacht beeld van machtsuitoefening; het is een beeld van dienende liefde. Uit christelijk oogpunt kan er geen heerschappij zonder dienstbaarheid en zonder de moed tot dienstbaarheid bestaan.

Ik ben ervan overtuigd dat Eucharistie en voetwassing onverbrekelijk samen horen. Het zijn twee brandpunten van dezelfde bevrijdende boodschap van Jezus – zijn nalatenschap aan ons: “Ik heb jullie een voorbeeld gegeven opdat jullie ook zo zouden handelen zoals ik gehandeld heb. 

Het verhaal van het brood en de wijn, de markering van een nieuwe afspraak tussen God en mensen van voortaan alle tijden, een nieuw verbond van dienstbaarheid aan elkaar, kan niet zonder de toevoeging: Doe dit tot mijn gedachtenis”. Alleen dan, alleen als wij blijven doen wat en zoals Hij gedaan heeft, bestaat er een nieuwe verbondenheid tussen God en mensen en tussen mensen onder elkaar. Alleen als wij door doen, is Jezus de  Christus levend onder ons. Alleen zo kan het Rijk Gods groeien, hier en nu.

Wanneer wij vandaag Witte Donderdag vieren, dan leggen we heel bewust de nadruk op beide tekenen. De voetwassing en de Eucharistie. Ze wijzen ons er nadrukkelijk op dat we als Kerk alleen maar toekomst hebben als we met elkaar gemeenschap vormen en dus bereid zijn om verantwoordelijkheid voor elkaar te nemen en, waar nodig, ook het vuile werk zelf op te knappen. Daartoe zijn zorgvuldigheid en oplettendheid nodig; moed en bemoediging om faalangst te vermijden en nieuwe gewoonten in de geest van Jezus in te voeren: de kleinen vooraan, de sterken onderaan. Zo alleen kun je elkaar dragen en verder brengen. De Kerk van de toekomst, zoals Jezus ze wil, moet en kan alleen maar een dienende Kerk zijn.

“Een Kerk die niet dient, dient tot niets!”  (citaat van de Franse bisschop Jean Gaillot)